Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SPEL.

Erna, m'n God, jullie willen een kluizenaarster van me maken!.... Hoeveel weken is 't nu al?...."

Janne protesteerde zachtjes. „Waarom dat nu ineens? 't Wordt veel te druk voor je en dan hebben we je weer ziek."

Een driftige boosheid, zoo fel, dat Janne er van schrok, sprong uit Erna's oogen; bijna boosaardig wondend was de snijdende klank van haar stem;

„Jij bent zeker bang, dat je me een dag te lang moet oppassen, dat je zoo bezorgd om me bent!"

Janne deed een pas terug, als had een slag haar geraakt; het heete schaamrood van vernedering golfde tot over haar voorhoofd. Geen woord sprak ze, maar als vanzelf gingen haar oogen, als in een zwijgend hulpzoeken, naar Jules. Hij stond daar, neerblikkend op de cigaret, die hij juist aanstak, kalm, zwijgend, maar tusschen zijn wenkbrauwen trokken de scherpe rimpels. De stilte, zwaar na Erna's heftigera uitval, wachtte op een woord. Het kwam van Erna zelf, ongeduldig, maar toch met een klank van weifeling, als was ze opeens niet meer zoo zeker van zichzelf:

Nou, waarom zeg je niets en sta jelui allebei stommetje te spelen?"

Licht, maar beteekenisvol van ironie, kwam Jules' stem over de nog natrillende heftigheid:

„Wel m'n beste, waartoe zou nog iemand iets zeggen? En ik heb het al eerder geconstateerd: Janne is een buitengewoon verstandig vrouwtje, dat op het goede oogenblik weet te zwijgen."

Een schuw lachje gleed om Janne's bevenden mond, een klein zalig lachje. Eén oogenblik was alles rondom haar weg, want over Erna heen, plotseling en als vanzelf, ving zijn blik den hare en niets bestond er voor baar, in dit eene korte moment, dan dat gezicht daar tegenover haar als veranderd in een teederheid, waarin zij het nauwelijks kende.

Erna lag er over na te denken, 's middags alleen, over de oogen van Janne.... en dat lachje.... Er was bijna verwondering in haar, verwondering, omdat de dingen zoo

Sluiten