Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WIND OP DE MOLENS.

Somwijlen snuifelde de eene of de andere uit oorzaak van de keerskens die aan zijn neus hingen. Die was dan natuurlijk ten achter en hij was verplicht de anderen na te loopen, zoodat 't wel leek of ze liepen in 't rond. Als ze gedaan hadden stampten ze met hun kloefen tegen 't onderste van de deur. Men wist wat dat beteekende en er was altijd iemand om hun een centje te geven of boterhammen. En het lieke liep alzoo:

Boven Dermonde in Vlaanderen, aan een gouden draad, Luidt een ster de misse. Vrouwe Baezin, wij zijn de Driekoningen, Geef ons schoon wit brood te eten, Lijk d' engels er maken met sneeuw in 't paradijs, Ja, in 't paradijs.

Daar zijn de ezel en zes begijntjes, Daar zijn de koe en de kleine muis, Die hebben het brood en den rijst gegeten In de kast zijn er macroontjes. Slaat een kruiske en danst in den ronde, Ja, in den ronde.

Weer eens waarde de ziel van Bruno Maris voorbij. Ze zong in dezen helderen Driekoningenavond in de stemme der jongskens. Daar boven huiverde kouwelijk de sterre met een teere muziek als een gouden rinkelbel. Men hoorde den ezel balken en de koe beuzelen; het muisje tippelde; de Driekoningen dansten in den ronde rond het kribbeken. Heel het land van Vlaanderen wierd stil en luisterde. Dries zijn hart zwol op als het schoone witte brood der engelen in 't Paradijs.

lederen dag, bij 't krieken reeds, stond hij op. In de keuken bij de kaars zat Anna koffie te malen. De kanarievogel in zijn kevie verstond er zijn eigen niet aan; hij stak zijn kopke tot tegen de tralies, stootte twee drie nootjes uit en kromp weer tot 'n bol op zijn polderke. De trap ook was verbaasd; de eene tree zei het krakend aan de andere. Een

Sluiten