Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WIND OP DE MOLENS.

En tot 's avonds toe zaagde hij, schaafde, nagelde en zong Maris zijn liekens.

De week ging voorbij, 's Zondags gebeurde het wel eens dat hij den wegel insloeg naar 't gehucht, waar de oude pastor Zoete in vrede leefde in zijn pastorij. Hij bleef wachten in een klein dennenboschken tot de deemstering rees. De andere kerktorens leeken altijd over de vlakke kouters te spieden. Dries wijlde een tijdeken in de ijle doorzichtigheid onder het peersche naaldloof. Een teer onstoffelijk licht omhulde de bleeke rijzing der stammen, 't Gezwel der scheuten had een roze vel als van kleine handekens. Eindelijk steeg de avond: men zag hem van verre de pastorij ingaan. Hij verliet het boschken, duwde'het ijzeren hekken geruchteloos open. 't Nederige pastoorke sprak hem moed in voor de schoonheid van zijn nieuw leven, verdedigde hem tegen zijn inzinkingen. En in den beginne spraken ze van niets anders. Ten slotte, binst hij hem vergezelde tot aan den weg, sprak Zoete:

— Kom maar altijd als gij mij noodig hebt. Ge weet wel, ik doe wat ik kan. Den dag dat er moet opgetrokken worden, zal ik bij u zijn. Wij zijn nu toch al met eenigen op alle dorpen. We zullen uw leger aanvullen, met het kruis in de hand. Maar zeg er nog niets van en in afwachting, werkt maar door lijk de beek vloeit, lijk de molen draait. Gij hebt het leven bij 't goede end.

Nu keek hij niet meer naar den grond lijk in die eerste dagen. Zijn figuur stond recht als een keers; heel den avond spiegelde zich in zijn heldere oogen; hij leek te wachten naar iets dat ging omhoog rijzen ginder aan den horizon. Dries wandelde voort, ontroerd alsof de ziel van Vlaanderen hem verschenen was door dezen zachten, besloten mensch heen, vast geworteld in zijn voren. Lijk de boer Was hij steeds doorgegaan met ploegen en het zaad uit te smijten. Hij was de zaaier van het Evangelie die geen haast kende, wel wetende dat de stonde komt waarop alle zaaisel kiemen zal voor de eeuwigheid.

Een Zondagschen vrede hing er over 't land. 't Ende van een Vlaamschen winter, doorasemd van een zoeten wind,

Sluiten