Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WIND OP Dl MOLENS.

maakte de velden stil. Langs malsahe zavelgronden en vette zompige klei liep hij onder de boomen voorbij wallen die een hofstee omvierkantten, luisterde naar het kleppen der Angelussen 't een na 't ander in den teer en avond. De ruiten der herbergen straalden rood. Meisjes stonden te klappen op den weg. Kleine kinderkens zongen: pin-pan-poe, dja-djanse, en stampten met hun kloefkens op den grond. Kerstekinderdoeken hingen er te drogen op de hagen. De koude reuk van het Zaterdagsche baksel steeg er uit de assche onder de ovenbuur. Reeds zwierven er verliefde schimmen, hand in hand, zonder een woord te spreken, 't Klaagsel van een harmonika kwam er van achter een deur, 't deed een mensch zijn herte keeren.

Nu had hij ook niets anders meer dan zijnen Zondag om pijpen te gaan smoren bij zijn duiven. Met Goliath en Boorlut bolde hij een partijtje. Als het weer klaar was trok men tezamen 't land in om de boomen te zien zwellen van 't jonge sap. In de lochtinkjes rook het naar den dood der kooien. De bleeke porijen stonden er in root te rotten. De mestvaalten rookten zwaar en warm in de frissche lucht, 't Was daar alles goed als 't leven dat terug gaat keeren, met de kleine groene beluikjes en de open deur 't ende een boogaerd achter een haag. Een licht-karmijnen wolksken benevelde reeds den hemel boven de canadas. Dries zuchtte; zijn hert was gezwollen van liefde.

Somwijlen kwam Guide; een bootje zette hun over. Ze liepen door 't reeds groenende gras, waar het gele stafken der narcissen priemde. Guide keek met vreemd vertrokken gezicht den kant uit van het kasteel. Daarna rees er van achter appelaars, een roze gevelken. Zachtekens begon hij te weenen! Rooze! Mijn Roosken! Mijn honingroosken, sprak hij binnensmonds alsof alleen de kruidekens van den meersch het moesten hooren. Plots greep een zotte kuur hem aan; hij zong het roode lied van het zeisen. De helmende kling klang bootste het staal na dat gehamerd werd op het aambeeld, 't Leek ineens of men in den tijd was van het hooi dat in breede, welriekende scharen lag neergeveld. In 't geboomte van 't kasteel snerpte de echo

Sluiten