Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAM. LEMONNIER

WIND OP DE MOLENS

Naverteld in het Vlaamsen door ANT. THIRY.

(Vervolg). XXVII.

Eens op een keer stond Dries Abeels onder de boomen aan den kant van een kouter, met een vogelenkevieken en een potteken lijm. Hij trok zijn mes open, sneed drie takken af en doopte de enden ervan in den pot: zijn gebaren waren afgemeten en geheimzinnig. Dan kroop hij terug den struik in, hield zich verdoken onder de elzen. Pluimen bollekens wipten er tak op tak af. 't Was vermakelijk om de distelvinken al vliegend de kattekens te zien kraken. Ze schoten vooruit, zakten, klommen als tusschen de tralies, van een kevie. Hun smalle kreetjes spitsten toe aan den punt der bekken. De bekken knirsten, pikten in de gaatjes hemel die open waren tusschen de twijgen. En ze waren niet bang van den man, bedwelmd door hun drift naar het zaad.

Sluiten