Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

640

WIND OP DK MOLENS.

Dries stak zijn stoksken omhoog; zoo bleef hij een oogenblik roereloos, reikend de zwarte lijm-bollekens. De kleine, pikkende bekken rollebolden van tak tot tak. De eene zei tot de andere: ,,Op dat klein stoksken zullen we goed kunnen pikken." De stok roerde niet, bleef recht als een polderken. Alsdan kwam er eene, gezwollen in zijn veeren. Met zijn vertrouwen van jongen zot liet het zich vallen. De fijne pootjes met nagelkens lieten zich lijmen. Met lichte vleugelslagskens huiverde het: zijn git-oogskens opzij van het kopken keken naar de hand die heel voorzichtig het taksken neere trok. Het land was vol aandacht: de elzentwijgen babbelden tegeneen. De stok zakte altijd lager en lager; de distelvink stoof en snoof, had ten leste niets anders meer dan een klein beetje hemel boven zich. Met vingeren die streelden, maakte Dries het vogelken los en stak het in de kevie. Het deurke sloeg toe. 't Beestje leek niets te verstaan van alles wat met hem gebeurde.

't Krioelde letterlijk in 't gestruik. Ze kwamen van overal aangestreken ter verovering van de elzenzaadjes. De stok rees omhoog, drong door de open gaten terwijl heelemaal van onder in het hakhout de vogelaar zijn eigen stijf-roereloos hield. De zwerm piepte, kweelde, knerpte met den bek, maar hij deed geen ander gebaar dan den punt van den stok een klein beetje hooger steken. De eene voor, de andere na wipte op den lijm en liet zich vangen. Hij had weldra een heel kevieken vol. Het deurken van koperendraad klepte slag op slag met een droog tiksken toe. Dat klein geruchtje zette zijn hert in vreugde: want 't zijn allemaal vogelaars, 't volk van Vlaanderen. Als ze aankomen met hun kleine keviekens dan lacht de hemel boven de hagen, 't Is dat een vogel voor hun iets meer is dan een pluimen dingsken dat springt en snettert: 't is een stukske van hunnen Vlaamschen grond, met in zijn vleriken denzelfden wind als dezen die de molens doet draaien. Bij elk vinkske dat hij vangde, peinsde Dries aan het huis, aan 't andere kevieken ginder aan den bocht der rivier, met zijn frisch lach-geschetter als van vogelkens.

Sluiten