Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WIND OP DE MOLENS.

641

't Deed zoo'n zoete deugd onder de elzenstruiken te zijn, vangende de kleine beestjes alsof hij voor Mamie een bosch bloemen hadde geplukt. In gedachten sprak hij heur reeds toe: Ziehier, lieveken, 'k ben voor u dezen morgen in den elzenkant gaan zitten, 't Was mijn vrije Zondag van werkmensch. 'k Heb ze 't een na 't ander in dit kevieken gestoken, precies zooals gij mijn hert in een kevieken hebt gezet. Eigenlijk waren dat kleine levende dingskens van Vlaanderen, lijk de wolken, de boogaerden, de rivier. Hij kon heur niets heerlijkers aanbieden. Een zachte, regengrijze hemel woog over het landschap: de malies der twijgen, als 't lood van een glasraam, omzetten het.

Dries raapte zijn pot op en uitermate voorzichtig droeg hij tusschen twee vingeren het kevieken; door het groenende land keerde hij huiswaarts. De distelvinken met hun pootjes vol lijm, wisten nu wat het kostte om zoo dwaas die elzenkatjes gekraakt te hebben. Ze piepten ontsteld en met hun ronde oogskens keken ze naar boven en dan weer naar onder.

Bij 't oversteken van een viersprong zag hij een mannengedaante ineengedoken aan den voet van een elzenbosch. Die man stak ook een lijmstok omhoog. Hij herkende Mane Vos, de woeste socialist, die eens op een keer in de stad met Flanders diskuteerde vóór de steenen stadhuisbeelden. Dat verbaasde hem danig. Van verre riep hij hem een goeien dag toe met zijn naam te roepen, maar de andere, opgetrokken in zijn jacht, deed teeken van te zwijgen. Goed! peinsde Dries: ik heb er zes gevangen. Geluk gij! En hij liep verder. Hij deed een honderd stappen en keerde dan het hoofd om: hij zag hem zachtjes zijn stok neerlaten en twee distelvinken neertrekken, die met één slag gevangen waren. Dries lachte andermaal, maar nu voor iets anders, want hij dacht zoo, dat Mane Vos niets anders en deed als hij het volk met heeldere massas aan zijn lijm vangde. Zijn leven van strijd en jonge gedachten, 't rumoer der vergaderingen, hij leek alles vergeten te zijn door deze Zondagvreugde in de opene natuur, bij de boomen en de vogelen.

VII 5

Sluiten