Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HÜGO VERRIEST EN KAREL VAN DEN OEVER.

677

mensen niet; hoe veelvuldig zijn gedacht, hoe veelvuldig zijn gevoel!

Hoe plooibaar, hoe vloeiend, hoe rijk, hoe machtig, hoe sterk, hoe licht, hoe statig, hoe dansend en moet een tale niet wezen om die duizende gedachten, die in den geest ontstaan en woelen, uit te brengen en weêr te geven; om al de aandoeningen, van het hert, met millioenen tinten en kleuren, te doen in het woord bestaan. De schoonste taal is die tale, die dat best kan. Wel, buiten West-Vlaanderen en moet ik niet gaan om die hoedanigheden in het Vlaamsen te vinden.

Zoo durve ik u vragen of de volgende gedichten en verzen niet tintelen van het wentelend, licht gevoel der blijheid en welgezindheid; of zij de weerprente niet en zijn der droefheid en des weemoeds; of de rijke glans der stille, wellige natuur er niet in straalt; of het zingende lied er niet door klinkt, de jacht en drift der sterke ziel en haar genot; of zij het stil en trouw bedenken en zien weêr spiegelen, en of zij iets anders zijn als de eigene uitdrukking, de vorm zelf van het dichtende gedacht?"

En zoo bracht Gij ons tot Gezelle en beeldet in uw woord zijn gestalte en Gij deedt dat zoo blij en zoo schoon, zoo rijk aan eerbied en met een meevoelen zoo zuiver, dat 't ons vaak was of wij waren gevoelig-open kinderen of stille wijzen, die menschen op mooie oogenblikken soms kunnen zijn.

Wij hoorden U zeggen Gezelle's verzen, die schoone, lieve wonderen; enkele regels soms en dan weer grootere stukken, en 't was al zingen en beelden wat Gij deedt. 't Was van „Het schrijverken"; „De Waterspiegel"; „O 't Ruischen van het ranke riet"; „De Wilgen" en vele andere.

Op eenmaal met een wending gaaft Gij een ander beeld uit het verleden, spraakt den naam uit van één, die uw meest-beminde en meest-belovende leerling was geweest:

Albrecht Rodenbach de twintigjarige student", die in

Vlaanderen was geworden, een licht, een vuur, eene macht, eene hoop, eene toekomst!

Wat ging hij worden?

Sluiten