Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HÜGO VERRIEST EK KAREL TAN DEN OEVER.

679

En toen werd ons gesprek afgebroken, want er stonden reeds velen te wachten, die met U wilden spreken. Bij 't naar huis gaan in den stillen winternacht, onder de fonkelende sterren, dacht ik aan uw dichterschap, bescheiden als gijzelf. 'k Wist dat in ieder zomertij Gij de morgenwinden zoudt begroeten, die tijgen over rijk Vlaanderen:

De morgengeesten treên voorbij in tragen heuschen stoet, met 't lichte, lange kleed dat sleept door 't veld en op den vloed.

Zij treden door het nesche groen met lichten winden-voet, zoodat de voet geen wonde tredt noch 't kruideke zeer en doet;

en rollend van de kleederpracht

uit koninklijke stoet,

de diamant, die nedervalt,

de halmen tintien doet.

In rijk harmonisch waaigeruisch hun stemme heimlijk zoet, aan boom en blad, al buigend, biedt beleefd den morgengroet;

in stralende ooge brengen zij

den rooden gulden gloed

naar 't blij gestroom van 't water, dat

hun rimpelt tegemoet.

Zoo gaat met heuschen tragen tred die koninklijke stoet, en voert op 't prachtig stralend hoofd een lichten wolkenhoed....

Ik sta aan de open venster en beschouw met blij gemoed, den rijken uchtend, waarin ik de morgenwinden groet....

Sluiten