Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GYMNASIUM.

711

het is een vreemd gezicht, den beurtschipper, dien ze altijd in het dorp gewend zijn, in deze omgeving te vinden, druk in de weer, of hij ook bij de stad hoort. Ze gaan naar de veemarkt, en waarempel, daar komen ze den boer van het Stateland tegen. Ze groeten hem als oude kennissen en kijken nog eens achter zich; zoo aardig vinden ze het, dat ze hem hier in de stad hebben gezien. Maar dan moeten ze zich haasten naar school; Niek's school is dichtbij, maar Willem moet nog heelemaal naar het gymnasium hollen.

Hij komt eerst aan, als de zesde klasse zich al in beweging heeft gezet; de rector, die op de stoep staat, met den hoogen hoed op, wenkt hem uit de verte toe en roept: „Toe gauw! toe gauw! jongenheer!"

Dikke Drikus zit op zijn krakenden stoel en voegt met zijn klanklooze stem den laatkomer toe: „Jonkje, ga maar naar 't bord en construeer een driehoek...."

Nog hijgend neemt Willem het krijt, maar hij is van de haast zoo in de war, dat Drikus onmiddellijk zegt:

„Jonkje, ga maar weer zitten. Die volgt!"

Willem krijgt een ignorantie.

Meetkunde is een vreeselijk vak, nog taaier dan algebra. Voor Willem is het niet zoo erg als voor Guus, die er niets van begrijpen kan, hoe hij zijn best ook doet. Guus leert de sommen van buiten, met uitkomst en al, en schrijft die een-twee-drie op het bord. Maar als Drikus zegt: „Goed, jonkje. Leg dat nu maar eens uit!", trekt Guus de schouders op, want hij weet zelf niet, wat de cijferreeksen beteekenen, die hij uit zijn hoofd op het bord heeft gekalkt. Dan moet hij maar weer naar zijn plaats.

Gelukkig komt Foppe de kachel bijvullen. Hij klopt op de deur en roept: „Benne der ook absjensen?"

Dan tikt hij aan zijn pet, die als een koolblad op zijn glimmenden clownskop kleeft. Wanneer Foppe achter Drikus om naar de kachel sluipt, trekt hij een mal gezicht en steekt den tong uit tegen Drikus, zoodat de jongens in den lach schieten. Maar dan staat hij alweer met een strakken smoel in de kachel te poken.

Sluiten