Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JOSEFIENTJE.

715

soms al elf uur dóór eer ze er in mocht — wat geen enkel meisje van de geheele school toegestaan was, net als dat maar een halven dag komen van haar.

Alleen, het spoelen van borden en tasschen en zoo, dat was soms erg hinderlijk, 't Maakte de handen zoo grof — zooals ge dat ook hadt als ge de kachel potloodde. Wat gelukkig Grootmoe deed en waaraan zij slechts helpen moest.

Maar Moe was nu eenmaal ziek.... Enfin, daar was niks aan te verhelpen, 't Geene Moe had, daar was Godlof niets doodelijks bij.... Doodzonde zou het dus niet zijn, zoo soms even te denken dat Moe, die lekkere, lieve Moe, .... nog lang stilletjes en rustigjes het bed zou moeten houden. Och, zij en Grootmoe konden het werk wel af.

En 't was toch ook zoo prettig met Grootje 's avonds de „zware" boodschappen te doen, kolen en hout in huis halen en zoo.

.... Als nu van avond....

Hoe gezellig Grootmoe daarbij praten kan! Ge weet: dat knusjes, op hun duizend gemakken keuvelen van oude menschen. Gedurig van: „is me dat een gróóte meid en hoe sterk.... och, als wij nu eenmaal oud worden."

Ja, sterk is ze. Dat weet ze zelf best. Veel sterker dan Grootmoe, al zegt ge haar dat natuurlijk niet. Vanmiddag nog, met de boorden, had ze 't dan niet klaar en duidelijk gemerkt? Grootje tilde nog niet de helft van wat zij beurde.

En véél vlugger ook. Véél, al is ze nog zoo jong. Kijk, dat zal ze nu eens toonen. ... Wacht....

— Grootmoe, van hier tot aan 't hoekje, hoeveel meter schat gij dat?

— 'k Weet niet....

— Nee?

— Dertig? raadt Grootmoe.

— Ja, dertig.... Zie, Grootmoe, nu moet gij loopen, zoo hard gij maar kunt. Ik zal zoetekens stappen.... Wedden dat ik U tóch inhaal? Ik ben zeer snel, weet ge....

— Dat kunt ge niet, plaagt Grootmoe.

Sluiten