Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WIND OP DE MOLENS.

723

oude man, in zijn arm wit kerkske, was zalvend als een evangelie. Als hij de armen bij de Benedictie opendeed, was het of de hemel neer ging dalen.

Dries bad nederig. Hij bad Ons-Heer hem de sterkte te verkenen om te volbrengen wat hij, sints eene heele week, zich voorgenomen had te doen op dien dag. Paschen was ook binnen in hem opgestaan als een hoop op het leven. Hij keerde naar huis, bleef in den hof staan luisteren naar den merel, die 't Alleluja floot. De boterperen en de Mechelsche Jozefintjes lieten hun bloesemblaadjes neerpluizen als voor de Kruisdagen. De pensees langs de bloemenbedden hadden groote, biddende gezichten. Wat is alles schoon en vroom! peinsde hij. De hemel ook doet misse en de aarde ligt geknield! 'k Zal langs de meerschen gaan, 'k zal 't hekken opendoen, 'k Zal met Mamie spreken. Ja, zoo'nen dag moet men kiezen voor zoon ding. Zijn herte bonsde al erger dan de klokken in de kerktorens om hem heen. Hij dacht dat er daarna nog tijd genoeg overbleef om 't aan moeder te zeggen. In het heldere huis liep Joziene Abeels overentweer, frisch en eucharistisch onder heur nieuw cornet, met heur armen van heilige vrouwe gekruist op de borst.

In den achternoen trok hij zijnen zomerschen jas aan en zijn groenen das. Hij trok op met het kofferken onder den arm. Hij keek niet naar den kant der prieeltjes, waar de bol ronkte. Hij liep langs de wegels tusschen het koren. Zoo ver men zien kon golfden ze, met een tragen slag onder het kleine kindermondeken van den wind. De ploeg en de egge waren erover heen gegaan, brekende de harde kluiten, omwoelende het land tot in zijn vezels. Daarna had men 't mest gespreid, het sap der beerputten, de vloeiende dood der vaalten. Thans zwol de aarde als een vrouwenborst; het leven spoot er uit oneindig. De graanoogst rees, het schoone vlokkende brood van het volk. En met die lange huivering van 't koren tegen zijn knieën, keek hij rond, trekkend korte wolkskens uit zijn pijp.

De ziel van Vlaanderen rees andermaal uit den geheiligden grond: in ontelbare stralen rankte ze op voor het komende menschdom; ze zweefde in 't fijn poeder der ge-

Sluiten