Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WIND OP DE MOLENS.

727

nen tegenhouden. Ze spraken tezamen een beetje over de biekorven. De jonge, kouwelijke biekens gingen eens kijken over de haag of de zomer nog niet kwam. Dries peinsde zoo almeteens aan de brandende mijten, die waren als groote korven van goud, met roode bijen die de vlakte in wirrelden samen met de kolken assche. De aarde was groener daar waar ze gevallen waren. En nochtans, hij wist niet hoe 't kwam, maar hij had niet gaarne den kling-klang gezongen in het jonge leven van een Paaschdag.

— Een klein boontje! zei hij soms binst hij zoo verder liep. — Zat heel het leven niet heelemaal besloten in dit kleine, nederige dingsken? Zijn herte nogmaals zwol op. Hij meende het kleine offerke te voelen huiveren in zijn borst.

Een lochte melk-lucht, een nevel zilver-peersch baadde de meerschen, verbleekte de smaragden scheuten der beetwortels. Onder den rozigen hemel dreef er een wolk van pluimkens, gouden blaarkens en kerzeleer-bloesem.

— Een klein boontje! zuchtte hij een laatsten keer. En daarmee was daar het hekken. Hij zag het frisch-

gekalkte huis, de koe die met heure tong de weide scheerde, Poppie en Lotje op de knieën in het gras, lachend met iets dat Jooske in den arm had. Mamie met een helder, klein bebloemd kleed aan, zat onder den appelaar te lezen. Het hekken knarste: ze hief het hoofd op.

Hij dierf niet meer te peinzen aan het kleine boontje.

— Zaligen Paschen, Mamie, en ook aan alleman, riep hij van verre.

Poppie keek hem een wijlke aan en sprak:

— De eieren waren goed, daar lagen er overal onder de boomen.

Ze kwamen dwars door 't gras naar hem toe: 't was warelijk een Paaschdag bij iederen stap die ze in 't groen neerzette.

— Dries, goed nieuws! zei ze. Drie duifkens zijn uitgekomen dezen morgen.

Duidelijk dacht hij weer aan 't symbool van het boontje, bracht het teere, bevende leven van het nest erop over.

Sluiten