Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE GRAVEN DER HETAEREN.

735

een ronde schijf van roode aarde, waarin

als somtijds spreuken boven tempel-poort,

de strakke pooten van een vier-span zijn gestift. —

En altijd bloemen en verstrooide paar'len,

de helle verven van een lenden-doek, —■

zie, tusschen waden, die als nevelen vallen,

gekropen uit de harde huid der schoen:

de vreemde vlinder van haar lichte voet.

Zoo liggen zij midden dit schoon gerief: kostbare weelden, steenen, speelgoed, huis-raad, tanden verbrokkeld (alles wat van hen viel?) — en duister als de bodem van een vloed. —

Stroombeddingen waren zij,

waarover in korte, drift'ge golven

(die verder snelden naar een volgend doel)

de lijven van veel jongelingen stortten,

waardoor de stroom der mannen ziedde, —

en menigmaal vloden knapen van de bergen hunner jeugd, daalden verwonderd ter valleie, en speelden met 't gevondene langs den weg, totdat het spel hun harten heeft beroerd, —

dan vulden zij met spiegel-klare waat'ren

de vlakke vamen dezer breede baan,

en lieten kolken aan de diepste schachten werv'len,

voeren door d' eerste maal langsheen de oevers

en den verren roep der voog'len, terwijl hoog

de sterre-nachten van een nooit-aanschouwd domein

aan alle heem'len rijpten, die zich nimmer sloten.

vert. door JAN R. TH. CAMPERT.

Sluiten