Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OKO EN WANGA.

het verre geluid van de zee, Oko? en de

wind,.... die aankomt.... door de sidderende lianen....

hoor je de apen, Oko. ... zij schudden.... de boomen

tot in de hoogste takken zie je, daar zoo heel

hoog die eene dat is Oko hij is sterk hij

is.... de.... vlugste.... hij is mooier dan.... alle anderen hij is van mij En haar stem verdween in onduidelijke klanken, heesch en toonloos.

Roerloos bleef Wanga liggen. En Oko klauwde zich vast aan zijn tralies, met zijn vier pooten tegelijk, terwijl hij met kracht van wanhoop en wilde angst er aan schudde, dat de spijlen rammelden en dof vertrilden in den nog stillen morgen. Zijn smartkreten vergalmden rauw en schril door het kleurlooze licht en in zijn hulploozen angst wierp hij zijn kop links en rechts, met zijn oogjes als waanzinnig doorborend de kleine, maar ongenaakbare ruimte, die hem scheidde van Wanga.

Een naderkomend schuifelend geluid klonk ineens buiten, achter de knarsdeur, dan zwaarder naderend en vergalmend in de gangen. De oppasser kwam binnen, op een ongewoon uur, maar nieuwsgierig te weten wat daar wel aan de hand was.

Eerst keek hij naar Oko, toen verwonderd naar Wanga, die stil lag, met gebroken oogjes, klein geworden en slap, als een geel-lichtend lapje op den donkeren grond. Ineens

begreep hij, de man, toen hij dat zag. Och, och zei-ie

alleen. Hij was al een oude man, die wat moeilijk liep en hij bukte zwaar een hijgend, om onder het hek door te gaan, dat voor de kooien stond. Hij wou Wanga eens van dichtbij bezien. Maar toen hij zich weer wou opheffen, stootte hij plotseling zijn hoofd met een doffen slag, die verklonk in de steenen omgeving. Zoo hard, dat zijn pet op den grond sloeg, met een korten, doffen knak, zijn donkere pet met de koperen lijntjes. De man zelf duizelde ervan, en van het bloed, dat van zijn hoofd vloeide, langzaam in fijn straaltjes, komende uit een donkerroode plek. Hij wankelde verder, verschrikt en mompelend.

Maar Oko, die alles gezien had, was geheel radeloos

IX 5

Sluiten