Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEEL OVERZICHT.

cypressen, en men hoort uit het gesprek, dat de villa van den schilder vlak bij een kerkhof staat. Direct hangt hierdoor at een lugubere sfeer over het stuk, en deze wordt nog verergerd door een knecht met een bizonder luguber voorkomen, Jenkins, die er pas kort in dienst is. Aan 't slot van de le acte, die eigenlijk niets dan salon-gesprek is, ziet men, als de lichten uit zijn, en allen naar bed, den mysterieuzen knecht met het moordenaarsgezicht heimelijk naar buiten sluipen.

De verrassing komt in 't begin der volgende acte. Een politieinspecteur met agenten verschijnt 's morgens bij den jongen schilder in de villa, en vertelt hem, dat een aantal graven op 't kerkhof geschonden zijn, allen van vrouwen, en dat de schenner zich in de villa moet bevinden, want er zijn versche voetstappen, gaande van de voordeur naar 't kerkhof, ontdekt. De lugubere knecht wordt ondervraagd, begint angstig te beven,

en bekent dat hij dien nacht een schilderij van zijn meester

heeft gestolen, om die te gaan verkoopen.

Het in spanning hijgende publiek begrijpt opeens, dat deze man, op wien alle griezel geconcentreerd is, niet de lijkenschenner is. De politie-inspecteur vertelt den jongen schilder een en ander van de psychologie van lijkenschenners, en hoe deze meestal door de mand vallen als men hun een corpus delicti onverwachts voorhoudt, en midden in 't gesprek houdt hij hem onverwachts een haarvlecht voor, waar de schilder als een razende op afvliegt om haar met wilden wellust te kussen. Het is de schilder zelf, de lijkenschenner, die expres die villa had gehuurd om aan zijn dierlijke lusten gemakkelijker te kunnen voldoen. En dan volgt zijn bekentenis, de biecht van zijn degeneratie, het intieme verhaal van zijn lugubere bevredigingen en infernale genietingen, en als hij heeft uitgesproken, en de inspecteur hem vastgrijpt om hem weg te voeren, komt zijn vrouw binnen en valt bewusteloos neer.

Er ligt over dit drama een sfeer van griezel en gruwel en degeneratie en lijkenlucht en sadistische wreedheid, die den toeschouwer de keel dichtknijpt, en stellig niet tot de regionen der kunst behoort. De bekentenis van den krankzinnige — want ten slotte is zulk een lijkenschenner en vlechten-sadist een krankzinnige —, een bekentenis, waarin hij van al zijn helsche genietingen vertelt bij het opgraven van vrouwenlijken, is afschuwelijk om aan te hooren en, niet te vergeten, om aan te zien, en de gillen en onderdrukte kreten, die men in de zaal hoort opgaan, meest van vrouwen uit het publiek, getuigen allesbehalve van verheven kunstgenot. Toch, qua spel, qua enkel spél, kan ik niet anders zeggen dan dat het meesterlijk was, van allen, zonder uitzondering.

Sluiten