Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJ DEN DOOD TAN HERMAN GORTER.

Ik ken geen bundel waarin zoo snikkend, zoö oprecht en zoö aangrijpend de machteloosheid van het woord beleden wordt. De machteloosheid, die een ziel bevangt, wanneer zij staat tegenover de geheimen van dit leven : liefde, dood... . Wij ondergaan, maar begrijpen niet.

Ik ken ook wellicht geen bundel, die zoo eenvoudig van taal, zoo gesproken werd. Het verlangen van den jongen mensch, het nameloos verlangen dat wij immers allen kennen, dat ons overvalt een zomer-avond als wij alleen zijn, een verlangen, waarom, naar wat ? Gorter heeft het ons in zijn verzen weer-gegeven.

,,En in mijn angst ben ik heengegaan een heel eind weg, over de baan van den akker, toen heb ik gezonden de roode liederenmonden, om te roepen de dagschuwe, nachtzieke schaduwe, haar ziel, die bij de wachtvuren wachtte de nachturen, of ze nog levend was, om te rak'len in de asch, om te lokken uit de lucht, als ze soms daarin was gevlucht, dat ze kwam om me toe te spreken, langs mijn wangen haar weeke lippen te laten gaan — de armen om me te slaan, met haar vingers mijn hoofd te streelen, in mijn ooren te kweelen, met haar stem mij te zeggen dat ik haar altijd heb lief gehad. —"

Gorter was een uitverkorene, een gezegende. Hij heeft de liefde gekend, die zichzelve vergeet. De liefde die in enkelen onzer brandt als een stralende, mild-schijnende lamp, die niet om eigen voordeel vraagt, maar zich wegschenkt. Er zijn enkele verzen in onze dichtkunst, waarbij men na lezing denkt : „toen hij dat geschreven heeft, was

Sluiten