Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OUDE DORPSFIGUREN.

sfonds te blikkeren stond op het torenhaantje, al plenste nu nog zonder ophouden de regen neer.

Allen gaf je een zucht van verlichting en meester, ja meester moest even met zijn hand langs zijn oude voorhoofd vegen. Dan lachte ie droevig kalm voor zich heen zonder geluid te maken, waardoor het onheilspellende groene licht uit zijn oogen verdween.

En na zoo n dag, die gelukkig zeldzaam was, kwam de zon weer geheel opgepoetst te voorschijn.

't Was een strenge winter geweest en meester was blij, toen het ging dooien. Want zoowel jongens als meisjes, alles zat voor schooltijd op de sloot langs den Hof en aan school dacht niemand meer, voor meester zelf aan den slootkant verscheen. Dan stond ie daar te gesticuleeren en in zijn handen te klappen, terwijl wij deden of we het niet zagen. Dat spelletje herhaalde zich iederen middag en meester mopperde, dat het onderwijs verwaarloosd werd, maar hij kon ons toch niet van het ijs houden. Eén middag had ie vrijaf moéten geven, omdat er ijsfeest in het dorp was. Meester bleef echter in de school en trachtte met boeken opruimen zijn slechte luim te verzetten, wat hem niet lukte, want hij voelde zich in het leege lokaal zoo onwennig, als een bootwerker des Zondags op zijn etagewoning.

Eindelijk in Maart was de dooi ingevallen, doch daarmee was de pret nog lang niet uit. Al konden we niet meer schaatsen, daarom konden we ons nog best vermaken, ook al stond er water op het ijs. Twee of drie snuiters gingen op hun klompen zitten en werden zoo door een heele rij jongens voortgetrokken over de baan, in flinke vaart.... Naar de dikte van het ijs, wat al dunner en dunner lag te worden in de voorjaarszon, werd niet gekeken, evenmin naar de dooigaten, die al grooter en grooter werden. Neen, dat spelletje ging net zoo lang, totdat het ijs onder hun klompenvoeten op en neer te schommelen lag en er ten slotte één of meer een nat pak haalden.

Dan riepen de meisjes, die zich hierop al lang te verkneuteren stonden aan den slootkant: „Snoek!. .. Snoek!...

Sluiten