Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OUDE DORPSFIGUREN.

XIII.

Na het bezoek van den langen meneer was meester dagen lang somber gestemd, maar eindelijk scheen ie zijn besluit genomen te hebben. Op een avond van de Fransche les vertelde ie het me in vertrouwen, omdat ik toch die week de school zou verlaten. Hoe we zoo op het onderwerp kwamen, weet ik niet meer, maar wel weet ik, dat ie rekesten had ingediend bij menschen, die nog hooger stonden dan de schoolopziener.

„Krelisie," zei die, „dat begrijp je zoo niet, maar die menschen staan ook weer onder hun meerderen."

En ik dacht met mijn Krakelmgenhersens aan al die menschenrangen en opeens verdween de beteekenis van het woord „Oppermeester" en dacht ik mij voortaan ook hem als een gewone Menschmeester. Toen zei ik:

„Meester, ik hoop dat U dien langen meneer maar nooit weer mag zien."

„Ik hoop het ook," zei ie, „want als je je heele leven

hebt gegeven om voor de klas te staan dan kan je zulke

woorden van zoo'n jong broekie niet verteren."

En 't gevolg van Meesters schrijven is geweest, dat ie gelijk kreeg en de lange meneer nooit meer is teruggekomen.

Nog voor het laatste leerjaar voorbij was heb ik die dorpsschool vaarwel moeten zeggen. Op die stadsschool moest ik nog wel eens met dankbaarheid terugdenken aan mijn oude meesters. Maar vooral later, veel later, denk je weer terug aan al die „Oude dorpsfiguren".... Toen ik eenigen tijd geleden door mijn dorpje reed, kwam ik beide meesters tegen. Zij liepen dicht tegen elkander en maakten kalmpjes hun middagwandelingetje, want ze zijn nu sedert jaren rustende. Ik groette hen, doch zij zagen me niet. Ze waren geheel en al in hun gesprek verdiept.

Ik reed door, want ik had haast, waarvoor? Dat weet je niet eens altijd en toen ik nog eens omkeek, zag ik hen als twee zwarte figuurtjes zoo rustigjes voortschuiven in de hooge boomenlaan, dat ik dacht. ... neen, ik dacht niets.

Sluiten