Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GYMNASIUM.

aan Lize gezeten heeft en raapt het sneeuwklokje op. Blozend van angst, dat iemand hem opmerkt, steekt hij het in zijn binnenzak.

„Mag jij bloempjes stelen?" sist het aan zijn oor. De Duivel heeft het natuurlijk gezien.

„Verrek jij!", zegt Willem en slentert, opnieuw verslagen, verder de zaal rond.

Des Zondags na 't bal is Willem somber gestemd. Wat is hij ook voor een jongen? Hij heeft niet met Lize gedanst, niet eens met Lize gesproken. En nu is het onherroepelijk te laat. Och, wat zou het ook alles? Tegen den Duivel kan toch niemand op. Nu gaat Lize vandaag naar huis en de Zwengel gaat ook naar huis. Natuurlijk gaan ze met denzelfden trein. Natuurlijk loopen ze samen van het station de stad in. Natuurlijk praten ze na over het bal.

De Zwengel en Lize! Willem herhaalt het; hij stelt ze zich samen opzettelijk voor, zooals ze loopen, zooals ze praten, zooals ze gisteravond samen dansten op het bal. Hij pijnigt zich, zooveel hij maar kan, met deze jaloersche gedachten.

Wat is Willem? Waarom zal hij zich nog langer aftobben in dit leven! Niemand zal het merken, als hij verdwijnt. Niemand zal hem missen. Hij moest het eigenlijk maar doen: zich van kant maken.

Het is nu de gelegenheid. Hij is alleen boven. De andere jongens zijn uit.

Wat zouden ze zeggen, als ze hem dood vonden? Ze zouden toch wel schrikken. Niek zou om hem schreien en Mapi ook. Mapi zou begrijpen: „Dat heeft die ellendige Caspar gedaan!"

Het is toch beroerd, dat je, als je je van kant maakt, er niet bij bent, wanneer ze je vinden. Het is de eenige voldoening, die je van je daad hebt: de schrik en de ontzetting. Het is de eenige wraak, die je nemen kunt.

Maar wie zou je vinden? Ze zijn allemaal uit. De Kapitein ook. Alleen Daisy is thuis en Mapi. Als Daisy hem vond ?

Sluiten