Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRONIEK.

bewijst ook die verbeelding van de vrouwen op weg naar de bron :

Sierlijk van houding met de kruiken hoog, en op de teenen gaand, in 't losse kleed, soms wedstrijd houdend bij een hollen weg, wie 't eerst de kruik zal vullen met koel nat."

In deze regels is weer recht gedaan aan een levend Egypte, aan het openbloeiend oogenblik en hier wijkt de strenge, strakke teekening der Egyptische figuur voor de zooveel weekere van het levend menschenbeeld.

Minder gelukkig vind ik hierin den allerlaatsten regel: „Wie 't eerst de kruik zal vullen met koel nat." In dit tafereel van opbruisende, jonge levenskracht en blijheid, van overmoed, uitbundigheid en weelde van jeugd, klinkt: „koel nat" voor water te tam.

Hoe is in wat verder volgt iedere gestalte gezien met een zeldzame gave van opmerken, die schaar van vrouwen en kinderen met bloemen en bloesemtakken uitgaand om hun Koning te begroeten, in hun midden gaat een jonge moeder, die blij glimlacht tot:

„het drietal meisjes, kransjes in het haar van korenbloemen en de voetjes bloot,"

dat aan haar zijde meeloopt en den vader en Koning naderen ziet en:

„heffen mannen hoog hun handen"

bij den klank der woorden uit 's Konings mond:

„Hoe-schoon-is-zij-die-komt!" haar eigen naam!"

„Wijd over de gestalten glijdt het licht

bij 't statig schrijden, stapvoets, der kameelen."

Meesterlijk gezien zijn ook, in den tweeden zang, de sfinxen :

„die staren strakbliks naar de tempelverten, blank, dreigend, door het raadsel van hun zijn."

Sluiten