Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BEDROGENE.

iemand bevond, toch nog altijd een groot blokkenvuur brandde. Ik had hier reeds eenigen tijd gezeten, en was door zijne plotselinge, en mij nu nog onbegrijpelijke komst, daar hij toch zeker onmogelijk weten kon dat ik mij hier bevond, zoo verschrikt, dat ik geen geluid kon uitbrengen, ja zelfs nauw vermocht te ademen. Hij knielde theatraal voor mij neêr, bad mij eerst om vergiffenis zoo hij schuld kon hebben aan den dood mijner moeder, vroeg mij toen om geld, en, bij oogenblikkelijk gebrek daaraaan, kostbaarheden desnoods, wees vervolgens op een schier haveloos gekleed meisje met zwart omschminkte oogen, hetgeen nog meer opviel door hare lijkbleeke gelaatskleur, en een grooten, vuurrooden mond, als een gespleten, brandend purperen vrucht, dat inmiddels ook was binnengeslopen en eerst nu door mij werd opgemerkt, mij voorstellende, dat, zoo ik hen als mijne „stiefouders" op zou willen nemen, wij te zamen nog een zeer gelukkig leven zouden kunnen leiden. Ik had geene stem om te roepen, noch om slechts eenig antwoord uit te brengen. Op dit oogenblik traden echter huisgenooten binnen, die mij reeds lang zochten, en hier eindelijk vonden. Daar het huis, waar ik woonde, reeds vroeger behoorde tot het door mij geërfde deel van het vermogen mijns vaders, werd de zoo geheimzinnig binnengeslopen indringer aan de politie overgeleverd, en daarna naar een sanatorium getransporteerd. Hij bleek krankzinnig geworden en stierf spoedig daarop. Van het hem begeleidende meisje zal later nog sprake zijn.

Ik was nu geheel alleen op de waereld. Mijn vader, mijne moeder en zelfs mijn stiefvader waren dood. Alleen leefde nog ergens eene vrouw, die mij door den stiefvader eenmaal als „stiefmoeder" was toebedeeld. Ik had broêrs, noch zusters, en zoo vormde eigenlijk deze mij volkomen onbekende vrouw nog een soort, zij het ook uiterst broze — ciaar deze alleen in het waandenkbeeld van een krankzinnige had bestaan — band voor mij met de menschheid. En hierdoor werd ik mij eerst het „wonderlijke" mijner eenzaamheid bewust.

Oogenschijnlijk was deze eenzaamheid zoo wonderlijk

Sluiten