Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOBIAS WITTEMANS BLANKE LIEFDE.

Binnen stond Tobias voor drie vrouwen. Lena, die kende bij — was Barts vrouw —

— M'n moeder, stelde de schilder voor — en m'n jongste zusje.

Tobias stond ietwat verslagen. Het onverwachte

daarbij het meisje zag hem zoo aan, had zulke machtige

oogen....

Hij gevoelde neiging weg te loopen zoo vlug hij kon, maar z'n beenen leken wel lood en voor hij goed wist, hoe hij 't had, zat hij mee in den kring, rookte een van Barts sigaren.

Het gesprek ging over en weer, druischte voorbij z'n ooren — klank bleef het met daar tusschen af en toe een helderen, vollen toon, jong en warm. Hij luisterde op dat geluid, dat telkens verrukkend hem doorschokte en noemde heel stilletjes in zich den naam van het meisje — Marie.

Haar aanzien wilde hij zoo graag, maar durfde het niet. Zijn oogen gingen knipperen als tegen een feilen schijn. En toch drong het moeten. Hij schoof wat terug en poogde verstolen op haar te letten en groote verheugenis welde er in hem, als z'n blikken hun roof thuis brachten. In hem bouwde zich op haar beeld, schoon als de natuur, schoener wellicht, en te meer het zich voltooide te grooter de begeerte werd het gansch volledig in zich te weten.

Wonderlijk ging de middag voorbij en aireede op de thuisreis omzweefde hem nog haar stem, wijl hij droeg de druk van haar slanke hand als iets kostbaars met zich mee.

's Avonds ontmoette hij Bart aan de stamtafel in „De Gouden Hoed". Hij schoof dicht naast hem en presenteerde een extra sigaar.

— 'k Wist niet, dat jij zoo'n mooi zusje had, fluisterde hij, want geen der anderen mocht het verstaan en langer zwijgen kon hij niet.

— Zoo? Bart lachte hem fijntjes aan. — Ik zelf ook niet. Tobias voelde de blikken van z'n vriend in hem priemen.

Ze schenen iets te beteekenen, maar wat kon hij niet ontcijferen.

— M'n moeder en m'n zusje betrekken *t huisje naast het

Sluiten