Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BOTANICUS PRO FORMA.

maar 'n portie aardbeien met slagroom, want daar ben ik voor gekomen" — loog ie.

Wat 'n toestand, hij mocht vanmorgen tegen Roosje nog wel zeggen, dat die Stoppel in zoon inrichting thuis hoorde en nu zat hij er warempel zelf.

Op één consumptie kon Schot hier toch ook al niet te-lang vertoeven; restaurant de Leeuw was nu het toevluchtsoord; ook daar zou niemand hem vinden, want hij kwam er zelden, alléén wanneer hij met Rosalie uit dineeren ging. Hij liet 'n auto voorkomen, betaalde, wat natuurlijk gepaard ging met de noodige vleierijtjes aan het adres van het meisje dat hem bediend had en vervolgde zijn weg.

Restaurant de Leeuw stond bekend als de deftigste zaak en was comfortabel ingericht. Men had er verschillende gezellige en vrije zitjes, waar men zoo in intiemen kring kon dineeren. Na zoon naren dag zou een goed diner wel smaken; Schot bestelde dan ook een uitgelezen menu. Niemand kon hem zien zitten en hij nam zich voor dit pracht-menu op zijn gemak af te werken. Den kelner, die hem bediende, gaf hij speciale opdracht met opdienen kalmpjes aan te doen, want hij had al den tijd.

„Hebt u het treurige nieuws al gehoord?" vroeg deze, toen hij de soep opdiende.

„Neen, wat dan?"

„Mijnheer Stoppel, die hier pas is komen wonen, wordt vermist en algemeen wordt vermoed, dat hem 'n ongeluk is overkomen. Hij werd vanmiddag in de soos verwacht, maar is er niet verschenen."

„Kom, kom," lachte Schot — „men moet niet direct 't ergste denken, 't is geen kleine jongen meer; die komt best terecht hoor."

Intusschen dacht Schot er het zijne van en het diner smaakte hem eens zoo lekker, toen hij dan hoorde dat Stoppel ook niet in de soos was geweest.

De kelner kwam terug met 'n visitekaartje: „Ik moest u dit even ter hand stellen."

Schot las: „K. Stoppel, oud-hoofdcommies, botanicus."

Sluiten