Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BOTANICÜS PRO FORMA.

„Zeg eens, heeren, ik heb voor morgen 'n reuzenplan. Wanneer we morgen met ons clubje, zooals we hier bijeen zitten, eens naar Den Haag gingen, Rosalie gaat natuurlijk óók mee, wat zouden jullie daarvan denken?"

Dit voorstel werd warm toegejuicht en hiermede werd de avond besloten.

Roosje vernam bij haar thuiskomst, dat haar vader den geheelen middag in 'n auto heen en weer had gereden en dat hij niet kwam eten. Ze begreep het volkomen; hij had natuurlijk veel spijt over het voorgevallene en durfde niet thuis komen, bang de volle laag te zullen krijgen. Tot heden had ze alles door de vingers gezien, maar nu werd 't toch te-gek en ze had dan ook alle reden om eens flink boos te zijn. Toen Stoppel haar 't een en ander vertelde van wat er

gebeurd was — de arme kerel wou nog niet alles vertellen

had ze moeite gehad zich goed te houden. Hoe laat vader ook thuis kwam, ze zou op hem wachten, al werd 't ochtend en dan zou ze hem eens terdege zeggen waar 't op stond. Had ze daar haar jeugd voor opgeofferd om nu zoo getreiterd te worden?

Meisj es van haar leeftijd waren bijna allen getrouwd en hoe kwam 't, dat zij thans ouwe-vrijster was ?

„Oude vrijster", 't heette zoo, maar ze gevoelde zich heelemaal niet zoo. Den middag had ze zoo gezellig met Stoppel doorgebracht. Ze was er ook stellig van overtuigd, dat, wanneer ze 't daar op aanlegde, er niet veel voor noodig zou zijn, het hart van Stoppel, haar vriend en leermeester in de botanie, te veroveren.

Stel eens voor, dat Stoppel zich vroeg of laat als huwelijkskandidaat ontpopte. Ze zou heusch niet weten, wat ze zou moeten antwoorden, wanneer hij haar voor dat feit stelde. Die ontmoeting met Stoppel liet haar niet los ; ze vond hem zoo'n aardige, sympathieke man.

Over dat vraagstuk van de toekomst lag ze zoo lang na te denken, dat de slaap haar overmande en ze op den divan langzaam wegdoezelde.

Sluiten