Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SALOME.

Vrijling nam afscheid van Mevrouw Pellentijn, die in een druk gesprek was ; hij boog voor een paar gasten en ging naar buiten. Hij wilde geen auto nemen ; van hier naar het Koningsplein kon hij den weg wel vinden, en dan was het tot hun huis geen tien minuten.

Het was een stille avond, zonder sterren. De hemel stond als een ondoordingbaar zwarte stolp over de huizen. In vele was nog licht en rumoer van stemmen. Vrijling ging midden op den boulevard loopen, waar alleen wat grint knerpte onder zijn schoenen. Hij liep langzaam voort ; dit was een verademing, alleen buiten te zijn, na dat feest daar ginds.

„Wat een pan," dacht hij, „wat een stomme, luidruchtige pan."

Hij probeerde er iets goeds in te vinden, hij moest niet zoo critisch zijn, de menschen leefden hier anders als in Holland, Maar hij vond iets onzuivers in alles. Waarom was Pellentijn met de vrouw van zijn compagnon getrouwd ? En wat was dat voor kinderachtige nonsens, van de Poes en den Piepert ? En dat opgeverfde wijf met die briljanten. En al die etende en drinkende gasten. En ineens die Kerstboom. Was hij dan zoo onmaatschappelijk geworden in die harde Hollandsche jaren, dat dit alles hem tegen stond ? Hij was er werkelijk even misselijk en duizelig van geweest, maar nu, terwijl hij rustig doorstapte in den nacht, voelde hij zich kalmer worden. Ook dit zou wel wennen ; de ongewoonte van alles maakte hem misschien nog wat zwaartillend en prikkelbaar.

Daar was de rails al van de electrische tram ; hij vond zijn weg direct, zooals hij immers altijd zijn weg had gevonden. Dat stemde hem weer tevreden. Hier was een stuk waar slechts enkele huizen stonden, verder van den weg af, en reeds donker. Hier en daar een palmboom, hoog, recht, naakt, tot boven aan toe, waar symmetrisch en stijf de takken zich spreidden. Uit een kampong, terzijde van den weg, klonk gedempt en regelmatig het tam-tam tam-tam van een bedoeg, *) en dan even het janken

*) een soort van trom, bij een moskee.

Sluiten