Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BRIEVEN AAN EEN VLIEGENIER

1103

ik je telegram krijg, dat je weer ergens geland bent. Dan slaap ik weer en kan iets eten. Tonny, welk een marteling kunnen soms enkele weken van het leven zijn.

Vreemd is het, dat menschen, die elkaar het meeste liefhebben, elkaar altijd verdriet doen, of zou het alleen maar zijn omdat je juist van elkaar houdt? Want als nu een vreemde dezen tocht deed, zou ik natuurlijk alle berichten met belangstelling volgen, maar ik zou toch niet voelen, wat ik nu voel. Het is als koorden om mijn hart, telkens trekt er een koord vaster dicht en neemt weer een stukje leven mee.

Ik vrees, dat, wanneer je terugkomt, ik nog maar een schim ben. Geen hersenschim, hoor Tonny, maar een levende, van liefde gloeiende werkelijkheid, wier ademtocht alleen voor jou is.

Ik leef nu nog en wacht op jou, BETTIE.

14 December.

Vandaag een telegram. Verlang je nu naar mij, ach liefste Tonny, heb je altijd naar mij verlangd?

Waarom zeg je dat nu pas, wat zou je mij onuitsprekelijk zalig gemaakt hebben, wanneer je dat eerder gezegd had. Hoe zou ik geleefd hebben ? Als één juichtoon !

Nu doet het me pijn, ik zou je immers niets verweten hebben.

Er zou een stralenkrans om mijn hoofd gestaan hebben en in den tempel van mijn ziel brandde immers steeds dat heilig vuur voor jou.

Lieveling, ik aanbid je.

Ik heb het al veel malen gezegd en geschreven, maar nooit genoeg, omdat ik telkens iets nieuws in je ontdek,

Tonny, ik heb zoon heimwee naar jou. Hoe zal ik al die lange maanden nog kunnen doorworstelen, vroeger kon ik het omdat ik je niet meer gezien had en dacht, dat je niet meer van mij hield. Maar nu, nu ik je bevende handen zag en de zilveren draden door je haar.... En vooral die blik, die hopelooze blik in je oogen, nu kan ik niet meer. Tonny, ik wil naar je toe, ik moét bij je wezen.

Sluiten