Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET HONDJE

door

ELISE WESSELINK—RUTGERS

De huisdeur sloeg dicht.

Suze van Holten tipte de tullen gordijnen van één der salonramen opzij en keek haar man na.

Bij den straathoek gekomen, wendde hij zich om en stak even zijn hand op; zij wuifde slapjes terug, liet toen het gordijn weer vallen.

Met een zuchtje bedacht zij, dat dit laatste groetje niets was dan een gewoonte-gebaar.

Als zij zich bij haar man beklaagde over de weinige innigheid van hun verhouding, zou hij haar heel verbaasd aankijken en zeggen:

„Ik begrijp je niet, Suus! Wat is er dan? Ik ben toch goed voor je? Wij kibbelen immers nooit!"

En als zij dan spreken zou over het gewoon en alledaagsch zijn van hun omgang, zou hij met een lachje van meerderheid afweren:

„Maar kindlief, een man kan toch niet den heelen dag voor zijn vrouw op de knieën liggen! Ik had je voor verstandiger gehouden, Suus! Zoon beetje malligheid is vóór

Sluiten