Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET HONDJE

dan een strijd tegen de gewone, tastbare dingen, waartegen een mensch zich schrap moet zetten in zijn leven. Kun je mij volgen? Begrijp je mijn orakeltaal?"

Hugo van Breugel had zijn oogen, waarin een uitdrukking van belangstelling levendig was geworden, voortdurend op haar gevestigd gehouden.

Toen zij zweeg, drong hij:

„Natuurlijk begrijp ik u! Verder! Toe!"

Een gevoel van dankbaarheid doortintelde haar. Zij had zijn belangstelling gewekt. Dat was al een stap in de goede richting!

„Menschen zooals ik," praatte zij voort, „zijn natuurlijk voor anderen wel eens lastig. Echte kruidje-roer-mij-niet! Tenminste op geestelijk gebied. Zij pluizen allerlei dingen uit, die een ander gewoonweg accepteert. En dan vinden zij er scherpe kantjes aan, die een ander niet opmerkt. Aan die kantjes stooten zij zich. Dan jammeren zij en zij trekken zich terug als een slak in haar huisje. Als zij zich tenminste niet venijnig verweren. Wat ook al voorkomt! Als zij niet oppassen, worden zij zoo overgevoelig, dat zij zichzelf en anderen tot last zijn. Zij maken den indruk van lichtgeraakt te zijn, maar dat komt, omdat een ander niet weet, dat die zoogenaamde lichtgeraaktheid niets anders is dan een soort van zelfkwelling. Zij kunnen zich daaraan niet onttrekken. Dat ligt nu eenmaal in hun natuur.

En ik heb dikwijls gedacht, dat die eigenaardigheid vrijwel zusje en broertje is met wat men zoo in de wandeling onder zenuwen verstaat.

Menschen, die niet aan zenuwen lijden, kunnen zich niet indenken, hoe het met een zenuwpatiënt is gesteld. Zij schrijven zijn ziekte aan inbeelding toe. Of aan te gauw toegeven aan kleine pijntjes en kwaaltjes; of aan gebrek aan wil. En zij begrijpen niet, dat juist de onmacht, om zich tegen al die dingen te verzetten, de ziekte van de zenuwen uitmaakt.

En dan dacht ik verder, dat misschien voor overgevoeligheid en voor zenuwlijden hetzelfde middel zou kunnen

Sluiten