Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET HONDJE

„Dat is mijn zaak! Spaar mij asjeblieft je verder gezanik!"

En het verschrikkelijke zwijgen tusschen hen bestendigde zich. Des middags ging zij met een opgewektheidsvertoon, dat haar een bijna bovenmenschelijke inspanning kostte, naar Hugo van Breugel.

Hij hing haar aan met dwepende vereering. Hij praatte vrij-uit met haar en zijn druk praten ontsloeg haar van de noodzakelijkheid, om zelf veel te zeggen, waarvoor zij in stilte dankbaar was.

Al haar theorieën, al haar redeneeringen, haar overtuigingen, haar wijze lessen aan zichzelve bleken krachteloos in de moeilijkheid, waarvoor zij ditmaal was geplaatst.

Zij was teneinde raad. Zij kon niet toegeven en daardoor den jongen, die haar vertrouwde, op een al te zware proef stellen!

Bovendien had Gerard haar trots ditmaal ernstiger gekwetst dan ooit tevoren.

En toch was zij zich bewust van het schreiende verlangen, haar hoofd maar weer te buigen, om het kleine beetje liefde, dat haar man haar geven kon, niet langer te missen.

Haar extase was dood, vertrapt.

Haar schoone droomen waren vergeten. Zij vond geen enkele reddende gedachte, om zich aan vast te klemmen.

Zij was niets anders dan een van een groote hoogte neergetuimeld menschenkind, dat als een armzalig hoopje liggen bleef, waar het terechtgekomen was.

De uren kropen voorbij, geleken even zoovele dagen.

Op den vierden dag herinnerde Gerard haar aan een soirée dansante, waarvoor zij een uitnoodiging aangenomen had. Zij durfde hem niet vragen, thuis te mogen blijven.

Zij kleedde zich in een matgroen toilet, dat haar blonde, blanke schoonheid voordeelig deed uitkomen; haar mooie armen en hals tooide zij met de juweelen, die zij als bruidsgeschenk van haar man gekregen had en in haar weelderig haar prijkte een flonkerend vlindertje, dat even trilde, als haar hoofd bewoog.

Sluiten