Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE COMEDIE THUIS

in blauwe kringen, haar scherpen neus dik onder de poeder. Maar haar schelle stem hield geen oogenblik stil.

„Heb je gezien? Er zaten geen vijf en zeventig gulden schoon aan recettes in de zaal. En wat een schorem! Ik kon maar geen contact met ze krijgen."

„Ze lachen maar om Gijs," zei de ander schouderophalend.

„Wat een succes, hé? En hij gunt je niks. Heb je gezien, hoe hij die scène van mij kwam verknoeien? Ik sta te spelen, ik geef 'm van katoen en ik hoor alsmaar lachen, omdat die kerel daar opzij maar staat gijntjes te maken met zijn lucifer en zijn sigaar."

„Goedkoop," zei de ander.

„En hij doet niks, hij speelt niet eens, hij doet maar, en ze lachen als hij zich maar beweegt. En die truc van dat herhalen van zijn claus! Bah! En dan die jongen. Ik kan niet met dien jongen spelen. Hij staat maar voor je als een plank en spreekt door zijn neus. En hij trekt zijn wenkbrauwen op, dat moet zeker deftig wezen."

„Het publiek wil hem," zei de jongeman.

„Ik begrijp niet, wat ze in hem zien. En nu bezorgt hij die Nini mooie rollen. Je hoeft niet te vragen! Maar dat kind leert het nooit."

Opkijkend zag ze Van Loenen nu voor het eerst in het gezicht en herkende hem. Men begroette nu elkaar heel vormelijk.

„U hebt in Leiden gespeeld," zei hij, om iets te zeggen. „Ja. Was u er?"

„Neen, maar ik heb het stuk in Amsterdam gezien." Dit was onvoorzichtig.

„O, en hoe vond u 't? Dat interesseert me!"

„Nu, net zooals u daar straks zei, Sabelhuis maakt er een klucht van."

„Zie je wel! (dit tot haar confrater). Speel nu maar eens een ernstige rol, als het publiek in een lachstemming is. En hoe vond u Heintze, en Nini?"

Van Loenen haalde de schouders op.

„Ja hé? Maar die jongeren hebben ook geen techniek.

Sluiten