Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN VRIENDSCHAP

teekende. — Hij was mijn steun, mijn alles, ihij was mijn rust. Ik had jarenlang de vreeselijkste, rampzaligste angsten uitgestaan bij dien man die macht over mij had, ik heb u toch van hem verteld, nietwaar.... hij had mij gek gemaakt met zijn occulte kennis en zijn occulte kracht.... enfin, u weet het. Als ik nog aan dezen man denk, maakt het mij ziek...."

Haar adem ging onrustig, maar terwijl zij haar oogen sloot en haar hoofd wat in den nek 'boog, vervolgde zij langzamer, nakeurend als het ware eiken zin, dien zij sprak:

„Ik weet niet of u er in gelooft, heel, heel gelukkig te kunnen zijn; u bent nog jong en tegenwoordig zijn de jonge menschen zoo ongeloovig en cynisch, nietwaar. Maar ik zeg u, ik was heel gelukkig, mijn man was mijn alles.... Ach

toen ja " zij liet haar kin in haar hand steunen, „dat

was noodlottig. Het was een avond, het was een receptie bij den consul, en er waren veel menschen, veel...."

Haar oogen openden zich wijder en hèrzagen het herinneringsbeeld.

„Ik droeg een donkerrood fluweelen japon zonder mouwen, en de menschen stonden zoo dicht om mij heen, ik voelde mij zoo klein, ach, hoe moet ik u dat zeggen, ik voelde mij zoo of ik zou vallen, of ik niet heel lang meer zou kunnen staan, of ik "

Haar oogen ontmoetten den blik van den jongen man vóór haar, die naar haar luisterde, en zij glimlachte — terwijl direct daarop de gedachte door haar heenflitste: Ook dit zou niet duren, ook deze rustige intimiteit zou weer gebroken worden, ook deze band zou scheuren, zij zou die waarschijnlijk zelf scheuren met haar eigen handen Ze moest

ook weer weg uit Holland, dat Holland waarnaar zij een onverwacht heimwee had gekregen, omdat zij hier in haar jeugd een paar gelukkige jaren had doorgebracht.

„U voelde zich vermoeid, niet?" vroeg de haar sympathieke stem.

Zij schrok wakker, legde haar gebalde hand tegen haar voorhoofd, concentreerde haar gedachten en antwoordde zacht: „Ja."

Sluiten