Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN VRIENDSCHAP

met een stem, die zij nauwelijks meer meester was, smeekte ze:

„Gaat u, gaat u als 't u blieft!"

Hij ging niet, hij schoof zijn stoel iets dichter naar den divan en greep een van de kleine handen dringend in de zijne, en hij trachtte te overreden:

„Vergeet u dit, probeert u dit te vergeten. — Ik kan wel weer luisteren."

Zij zag heel bleek toen zij haar hand terugtrok, maar zij antwoordde metimatte, hoewel vaste stem:

„Och nee, gaat u...."

Hij stond op en keek neer op het figuurtje op de rustbank met het teere, smartelijke gezicht. Hij wist niet wat te zeggen, een dof, loom verdriet zakte in zijn wezen, hij dacht: Dit was een afscheid, een afscheid van een eenzaam mensch, die verheven leefde boven velen.

Hij ging heen, ontroerd — onhoorbaar de kamerdeur achter zich sluitend.

Den volgenden dag, toen een paar groote koffers geopend stonden in de kamer en de in te pakken voorraad op alle meubels en op den vloer verspreid lag, bracht de pensiondienstbode een grooten bos amarillen binnen.

„Leg maar op de piano, wil je?"

En toen de koffers weggedragen waren en daarmee de laatste bezittingen van de tijdelijke pensionaire waren weggepakt, — toen lag op de huurpiano de bouquet donkerroode kelken, en ze verlepten er.

ui

2

Sluiten