Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BEZETEN HUIS

grond. Door de breede opening ziet men in een, door het zilveren licht der maan beschenen torenkamer, welke geheel leeg is en slechts vaag haar wijde omtrekken doet raden.

Roerloos, men weet niet of zij waken of slapen, volgen de beide, aan de tafel zittende heeren hetgeen zich nu in de aangrenzende slotkamer afspeelt.

Maanspel

Men ziet als twee lichte schimmen de figuren van een middeleeuwsch gekleed jongmeisje en een jongen ridder. Zij bewegen zich nauwelijks. Dan elkaar als zwevend naderend, leggen zij de handen in elkaar. Innig drukt zich de meisjesgestalte tegen die van den ander aan. En voor haar knielend, neemt hij een ring van zijn vinger en schuift dien aan haar hand.

Op dit oogenblik maakt zich uit den neveligen achtergrond los de geweldige figuur van een geharnast ridder. Beide jongelieden ontstellen en maken zich uit hun omarming os. De gedaante van het meisje lost zich als-'t-ware op.

De geharnaste figuur nadert langzaam den nog geknielden jongen ridder. En zijn gepantserde armen omhoog heffend, slaat hij zijn ijzeren handschoen om de keel van den amper weerstand biedenden jongeling. Diens lichaam wordt daarna opgenomen. Met langzame, geluidlooze schreden beweegt zich de geharnaste naar een der vensters in den achterwand der kamer. En werpt het lichaam omlaag. Men hoort een doffen plons. De geharnaste figuur lost zioh als in nevel op.

Het meisje keert alleen terug, door gebaren van stille wanhoop haar verdriet uitdrukkend over het verdwijnen van den jongen ridder. Als zij hem, rusteloos zoekend door de uitgestorven torenkamer, nergens kan vinden, nadert zij eveneens het venster en buigt zich langzaam voorover. Na een langen kus op den ring aan haar vinger, laat zij zich omlaag glijden. Een tweede

Sluiten