Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INTERMEZZO

Den volgenden morgen trof Frank Lamers den jongen Zwitser aan het ontbijt. Otto Baumgartner glunderde, een afwezige glimlach lag op zijn gebruind gezicht. De Hollander keek hem lachend aan. ,,Ze was dus niet getrouwd?" zei hij. De Zwitser schrok uit zijn gepeins wakker. ,,Wat bedoel je? Hoe weet je het?" vroeg hij. „Maar dat kan ik toch aan je zien: Verliebt, verlobt, verloren!", spotte de Hollander. „Loop heen!", meende Otto verlegen.

Frank Lamers nam hem onderzoekend op. „Niet onknap, maar eenigszins links en verlegen; geen flirt en 'n te schuchtere hofmaker!", taxeerde hij. En eensklaps kwam de lust bij hem op, die twee bij elkaar te brengen: den schuchteren Zwitser en het aardige Duitsche meisje. De Hollander verveelde zich een beetje en voelde er wel iets voor een kleine intrige op touw te zetten; hij nam zich voor den schuchteren Zwitser te hulp te komen.

De volgende dagen wist hij heel listig de jongelui bij elkaar te brengen; hij ontwierp tal van plannetjes, maar zorgde steeds, dat Baumgartner meende zelf het initiatief te nemen. Frank Lamers hield zich steeds afzijdig, sloot zich nooit bij het tweetal aan, wisselde zelfs geen woord met Hilde Wettersheim, zooals het meisje heette. Maar eiken avond in den tuin aan het meer moest de Zwitser hem verslag doen van wat tusschen hem en Hilde voorgevallen was. En de Hollander luisterde glimlachend toe, sprak den wankelmoedigen Zwitser moed in, praatte diens schuchterheid weg, suggereerde hem als 't ware tot verliefdheid en vormde hem tot een volmaakt hofmaker.

En zoo wandelden ze op een warmen zomeravond weer eens in den uitgestrekten tuin langs het meer: de Hollander, die onbewust de rol van Mephisto speelde en Otto Baumgartner, de schuchtere minnaar. Ze stonden stil aan den oever van het meer, dat blauwzwart onder hen lag. Boven hen koepelde de heldere sterrenhemel. Aan dé overzijde van het meer rees de somberzwarte Bürgenstock omhoog met de flikkerlichtjes der verspreide huizen. Uit de verte klonk de muziek van een dansstrijkje. Ze leunden over de balustrade. Het water rimpelde nauwelijks, er was

Sluiten