Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LENTE-AVOND

tegen zijn strakgespannen wangen. — Jaapje Derks overstemde nu den merelzang met oorverdoovend geschreeuw

Dominee fronste het voorhoofd. De slakken aten van zijn sla. Hij liep de schemerige keuken in, waar Fine, de meid, rommelde met borden en lepels. Fine, hoewel ze slechts voor dominee, Petrus, den grijzen kater, en zichzelf te zorgen had, werkte van den ochtend tot den avond in zenuwachtige bedrijvigheid. En zij probeerde vergeefs het raadsel op te lossen, hoe de kostersvrouw, met een man en zeven kinderen, nog zooveel tijd aan den Dorcas-naaikrans en de winter-soep-uitdeeling kon besteden. — Maar dominee was wel een bizonder lastig man. —

„Fine, wij krijgen geen sla dit jaar," verkondigde dominee plechtig, als gold het een doopformule.

Geen sla? Ach heeremetijd, dominee, d'r is toch niks gestolen?" vroeg de meid ontsteld: ze had met den koster een feilen angst voor dieven gemeen.

„Ja Fine, er wordt gestolen, door de slakken."

Dikke Fine bleef verbijsterd staan, een soeplepel in de linker-, een vatenkwast in de rechterhand. Haar kinderoogen keken hulpeloos.

„Ja ziel, er helpt niets meer aan, wij moeten het dragen." (Dominee zei altijd »ziel« wanneer hij ontroerd was, en dat gebeurde dikwijls.)

Met berusting doopte Fine den soeplepel in den afwaschbak en dominee hervatte zijn inspectietocht door den tuin.

Voor het open raam bij den dokter, lag heel stil juffrouw Erica. De rosse avondgloed streelde heur bleek gezicht. Zij had de oogen gesloten; 't scheen of zij sliep. De zon plekte gouden vakken op het bruine behang. De dag schoof weg, traag, als kostte het scheiden moeite. Reeds zweefde de adem van den nacht over de landen. Dan volgden eindelooze uren van pijnen en eenzaamheid, tot het nuchtere morgenlicht tusschen de gordijnen binnendrong en den nieuwen dag verkondde. Dagen, nachten, weken, maanden, rijden zich aaneen. Erica liet ze over zich trekken. Zij lag te bed en mat geen tijd. Zij kende verlangens noch begeerten, ge-

Sluiten