Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ROMAN VAN EEN SCHILDER

pijp uit den mond en beschouwde langen tijd den moordenaar.

„U berouwt niet. Dat is de fout," sprak hij nadenkend. „Neen, ik kan het niet!" riep Fransen hartstochtelijk. „Daarom trek ik in den oorlog." „Hoe dat?"

„Als ik berouwen kon, zou ik mijn schuld erkennen en mij ter beschikking stellen van de overheid. Maar het offer is zinloos, zoolang men er niet aan gelooft. Daarom moet ik trachten op andere manier de feiten te verwerken." Eensklaps stond hij op en begon driftig door de kamer te loopen. „Ik kan niet leven met deze herinnering. Midden in den nacht word ik wakker en zijn brekende oogen staren mij aan. Op klaarlichten dag komt hij plotseling mij tegemoet en toont zijn blooten hals met de paarse ontvellingen. Hij spreekt niet en zijn stilte is een ontzettend verwijt. Misschien zal ik sterker zijn, als ik het handwerk vaker beoefend heb. Andere menschen zal ik vermoorden, opdat ik niet langer aan dien eene behoef te denken. Versche herinneringen wil ik verzamelen, zij zullen misschien de oude verdringen." Hij bleef staan voor den schilder en lachte demonisch. Tastend legde hij zijn hand om de keel van den kunstenaar. „En waarom zou ik niet meedoen aan den massamoord? Het wurgen werd voor mij een wellust, waarnaar ik terugverlang.Niet altijd wil ik mij onthouden —" Er voer een hevige kramp door zijn gelaat. Zijn vingers schenen kromme haken te worden, die zich vastklemden in het vleesch van den ander. De planter wilde oprijzen, maar zijn leden waren verlamd. Hij opende de lippen, zijn schorre kreunen was nauwelijk waarneembaar. Opeens echter liet Fransen los en schaterend viel hij terug in zijn stoel. „Zoo pervers ben ik geworden!" kreet hij smartelijk.

(Wordt vervolgd.)

Sluiten