Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WAT NIET MEER KON

met Moeke Och, Moeke " Toen vertrok ze het gezichtje als in pijn. Hoe eenzaam zou die het hebben....

„Nou kunnen we ook zoo afslaan," zei Tante Sofie, wie al die drukte op den duur toch niet beviel. Fransje las op een paal: verboden toegang. Maar Tante zei, dat het niet hinderde.

Op een breeden landweg kwamen ze nu, karresporen waren er, en aan den eenen kant was een greppel. In het gras bloeiden klaprozen. „Mooi hè, Tante?" vroeg Fransje.

„Ja, maar ze verleppen, als je ze plukt."

„Ik wou er toch zoo graag een paar hebben. Het mag wel, hè?"

„Je moet het zelf weten," antwoordde Tante Sofie. Ze trok aan de linten van haar hoed. Wat was het warm hier. Ze werd ook moe.

„Dan moet u even hier gaan zitten, aan den kant."

„Welnee," zei de oude vrouw verschrikt.

„Waarom niet? Dat doen Moeke en ik ook, als we buiten zijn. Dan gaat Moeke in het gras zitten en dan pluk ik bloemen. En soms maken we een kransje."

Gelaten zette Tante Sofie zich op den rand van de greppel. Dat moesten ze in het dorp eens weten, dat ze hier zat, zij, Sofie van den Bogert. Maar gelukkig liep er niemand. En ze had nu tenminste de zon niet meer in het gezicht. Ze tuurde, de handen gevouwen in haar schoot, den omtrek af. Hoe veranderd was het bij vroeger. Hoeveel meer huizen, en vooral meer kassen waren er gekomen voor de groenteteelt. »Warenhuizen« heetten die. De streek was

wel vooruit gegaan Vroeger werd er niets anders

verbouwd dan aardappelen. En nu, van alles immers, alle groenten en fruit.... en ook bloembollen.

Fransje was naast haar komen zitten. De roode bloemen in haar hand lieten de kopjes hangen, 't Is, of ze nu al verwelken, dacht het kind spijtig. Tante had toch gelijk gehad....

Haar beenen bengelden boven de droge greppel; stukjes grond, losgetrapt door de hakken van haar schoenen, ploften naar beneden. „We zitten hier prettig," zei ze.

Sluiten