Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN DEN SNELTREIN

door JAN UBINK

Tante heeft mij willen vergezellen naar het Station. Waarom? Zou zij iets vermoed hebben? De veronderstelling is onzinnig. Hoe kan iemand op het denkbeeld komen van de afschuwelijke zonde, die mijn leven gekruist heeft! Toch, als haar flauwblauwe oogen mij zoo treurig aanstaren, kan ik mij nauwelijks weerhouden in tranen uit te barsten. Natuurlijk, zij verontrust zich over mijn plotselinge vlucht. En tot het laatst verwacht zij, dat ik zal spreken. Maar al zou ik willen.... groote God, willen. ... dan vond ik er immers nooit de woorden voor.

Niets, niets heb ik haar te zeggen. Maar ik moet er wel verschrikkelijk uitzien, dat zij mij zoo lang bespiedt en geen ander afscheid vindt dan leege, gestamelde klanken.

„Saint-Quentin... . daar moet je den bliksemtrein nemen hij stopt er altijd."

„Ik weet het, Tante."

Plotseling vermant zij zich en begint te spreken:

„Wat is er toch, Hetty, dat je zoo hals over kop vertrekt?

Sluiten