Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN DEN SNELTREIN

ben ik een dom schaap om zoo als een halve gek weg te loopen. Gelukkig dat ik den chauffeur een telegram heb laten zenden, want als de trein te veel vertraging heeft, kom ik in het holle van den nacht aan. Wat zal Moe zeggen? Ze verwacht me natuurlijk niet. Goed beschouwd is mijn vlucht weer een van mijn opgewonden, dwaze standjes. Ik had net zoo goed bij Tante overstuur kunnen wezen als straks thuis. Bovendien, ik bèn niet overstuur: het leven is nu eenmaal het leven: in den regel grijs met een al te schaarsche streep vale romantiek. Als ons bestaan eens een keer erg romantisch wil wezen, is het uit weerwraak de volgende dagen dubbel grijs. Vooral als je zoo moe bent als ik op het oogenblik. Onophoudelijk trekt een geeuwkramp langs mijn kaken, ik benijd mijn gelukkige buurtjes, die in den restauratiewagen zitten. Het is tegen vijven, ik heb twee bekers Chablis gedronken, ben toch wel heel doezelig en heb geen kans op eten voor zes uur.

Het landschap is veranderd. De velden zijn nog steeds kaal, maar tusschen de flauwe glooiingen van het heuvelland rijzen fabrieksschoorsteenen, plompe hoogovens, de steile pyramiden van eeuwenoud mijnafval, schaars begroeid, met steenkoolkleurige, kale plekken. In de vallende schemering maakt het landschap een vreugdeloozen indruk, vreugdeloos als mijn eigen stemming. Sinds gisteren of eigenlijk al sinds jaren. Want welke kleur heeft mijn leven gehad, nadat Frans uit Den Haag vertrok? Zou het waar zijn wat hij bezwoer, dat wij elkander al dien tijd, zonder dat wij het wisten, hebben liefgehad? Er is geen twijfel aan, of mijn ziel kent nu maar één hartstocht en dat is een woest verlangen naar hém. Maar al die jaren en tijdens onzen dagelijkschen omgang vroeger? Dat moet een vergissing zijn!

Hoe na wij elkander in de jeugd stonden, nooit heb ik er over gedacht, dat hij mijn man en ik zijn vrouw kon wezen. Het is onzin mijzelf voor te houden, dat hij immer mijn ideaal geweest is, want dat is bezijden de waarheid. Wij waren even oud, maar hij is in mijn oogen altijd de mindere geweest. Hij was te zwak en te bloohartig om indruk op mij te maken. Toch liet hij mij nooit in den steek, hij was

Sluiten