Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN DEN SNELTREIN

Terwijl de kellner de borden verwisselt, vind ik mezelf een verachtelijk schepsel, wijl ik zoo laag over hen beiden en vooral over Berthe denk. Zonder grond en zonder reden. Want aan de gruwzame verhoudingen (gruwzaam alleen voor mij) heeft zij part noch deel, zij zal vrouw worden op de manier, waarop eigenlijk alle vrouwen het wenschen. En als haar rozenbarkje deinend de liefdesgrot ingegleden is, zal zij nimmer begrijpen, hoe een schip van zijn anker kan slaan en in storm en ontij den dans des Levens kan dansen.

Blijkbaar is mijn kalmte bedriegelijk en wordt mijn onderbewustzijn vergiftigd door de ervaringen van de laatste dagen. Tot dusver herinner ik mij geen spoor van verbittering jegens Berthè; haar onbeduidendheid wekte mijn verbazing, haar koele zelfzucht raakte mijn onverschilligheid niet. Maar toén kon ik mij rustig haar meerdere rekenen en nü ben ik nevens dit paar tusschen rozen en palmen.... een gevallene! Dat is het, en terwijl ik den biand in mijn keel tracht te blusschen met groote plassen water, staar ik met oogen, die uit hun kassen springen, over het stationsbeweeg, dat langs den trein draaikolkt,

Groote God, waarom strekken al die menschen de armen en wijzen hun handen naar mij? Wat willen ze, wat weten ze? Ontzet rijs ik op en houd mij met de handen om den tafelrand geklemd staande. De rustige stem van den bediende, die voor mij staat, brengt mij weer tot bezinning.

,,Eet madame niet verder? Is u niet wel?"

Nog is de werkelijkheid mij een verschrikkelijke droom; het is mij duidelijk, dat de trein mij genadig aan die wraakgierige bende ontvoert. Nog zie ik ze in de verte met de handen zwaaien en dan, als de lichten weer langs de ruiten strepen, begrijp ik volkomen. Wij vertrekken, de wraakroepende handen van mijn verwilderde verbeelding wuiven een afscheid naar vriend of maag, een schok van den trein werpt mij op het leeren kussen van mijn bank, in een klein deel van een seconde neem ik den eetwagen op met zijn rood-bruin houtwerk in het gele licht blauwgrijs, doorzilverd van sigarendamp. Dan bedank ik den kellner.

„Het is niets. Ik zag een kennis."

Sluiten