Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DEMONEN....

„Charlotte was geen kunstenares?"

„Charlotte was een vrouw een vrouw die zich veronachtzaamd gevoelde en het ook was. Een vrouw,

die door haar man vertroeteld moest worden en verwend en wier man nooit naar haar omkeek, behalve

wanneer hij zin had. Zij moest maar alles in stilte dragen, omdat ik mij niet den tijd, de gelegenheid gunde, om met haar te spreken. Al mijn tijd, al mijn krachten en zorgen gaf ik aan de Demonen! Toen is ze op zekeren dag weggekropen!"

„En sinds dien tijd kon u niet meer werken?"

„Kunnen?! Ik wilde niet. De demonen hadden mij genoeg ellende bezorgd. Want toen zij weg was begreep ik eerst, toen eerst gingen mij de oogen open. Charlotte! Nu kan ik niets anders doen dan haar gelijk geven. Ik zou, in haar geval, nog veel eerder weggekropen zijn."

„En hebt u rust gevonden?"

Peter zweeg. Dan barstte hij los:

„Ik ben gek, gek, dat ik met je spreek en je vragen beantwoord! Waar bemoei je je mee? Wat gaat jou mijn ellende aan...."

„Ik vroeg het niet uit nieuwsgierigheid " Haar stem

klonk zacht en benepen en haar mond beefde. Hij zag het.

„Ik ben een bruut! Ik was woest, omdat je vraag mij er aan herinnerde, dat ik sinds dat oogenblik geen rustige minuut gekend heb. Rust, wat is rust? Ik ken het niet! Nee, de demonen hebben mij niet met rust gelaten, zelfs niet toen ik de penseelen niet meer aanraakte. En toch, toch heb ik hen onderdrukt, ben ik de baas gebleven "

„En tegelijk met de Kunst hebt u de Vrouwen afgezworen."

„Ja."

Ze zwegen beiden. De man keek tersluiks naar het meisje. Wat was ze? Zeker niet van het gewone soort. Hij liet zijn blikken gaan over haar gezichtje, de groote, zwarte kinderoogen, den fijnen rooden mond, het blank effen gelaat omlijst door het zwarte haar. En wat was ze klein ze leek nog maar een kind. En toch blonk er

Sluiten