Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BRIEVEN ZONDER ANTWOORD

over zaken gingen praten, sprak hij nog even door over jou. Nu weet ik, dat dat het eenige is geweest, wat mij in het heele gesprek van dien middag heeft geïnteresseerd. Hij zeide: »'t Klinkt mij ook altijd weer vreemd in de ooren, om een meisje voor te stellen als meester, maar er is geen andere benaming. Er is zoo iets.... hoe zal ik het zeggen.... zooiets blauwkousachtigs in dat «meester». En toch kan ik u verzekeren, dat de kleine Berndsen lang geen blauwkous is.« Ik had gewild, dat hij over jou ging door spreken, maar hij begon over de markten en de omzetten in Indië. En ik kon moeilijk zeggen: »Toe, meneer Brenting, doet u mij een genoegen en laat Indië en de productenmarkten rusten, maar vertel me nog een beetje over uw secretaresse.« Moet je nu even lachen, met je rustigen, beheerschten lach, waarbij alleen je oogen nog wat lichter schijnen uit te stralen dan anders. Nu zie ik je heelemaal voor me, alsof er niet zooveel duizend mijlen, en nog veel meer en erger dingen!, tusschen ons waren, maar alsof je tegenover me zat, en ik je ferme hand kon pakken.

Ik moet eindigen voor vandaag. Men gaat het kantoor sluiten. Het is bij half zeven; de tropenavond nadert snel. De Kali Besar is verlaten, mijn mededirecteur heeft me al een half uur geleden, eenigszins verwonderd, goedenmiddag gewenscht. De oude oppas van de bovengang — Hamdijah heet hij — keek al eens om den hoek van mijn deur of ik er nog was. Nee, brave, deze brief behoeft vandaag niet meer gepost te worden.

Tot morgen, m'n kind!

16 December 192..

»Tot morgen, m'n kind«, schreef ik de laatste maal, en nu is er een week voorbijgegaan. Want den dag volgend op den middag, dat ik je geschreven had, was er een spoed-vergadering van de Handelsvereeniging. Die vergaderingen houden ze 's middags om half drie, en deze duurde tot over zessen, en zoo werd ik bestolen voor mijn schrijfuurtje! Den dag daarop had ik menschen bij mij op

Sluiten