Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ZILVEREN MAAN

(Een weg, een sloot, een grasberm. Septemberavond, volle maan.

Drie kinderen komen langzaam naderbij. Leeftijd zes tot tien jaar. Twee jongens, een meisje.Het meisje is de jongste. De oudste jongen draagt een zak aardappelen, de andere een bos takkenhout. Het meisje draagt een zwart brood, afwisselend onder den arm en op den schouder.)

ATTIE (slingert den zak van den eenen schouder naar den anderen).

Ik ben moe. Die zak is zóó zwaar. Als ik niet wist, dat ik niet méér dan twintig pond dragen kan, zou ik zeggen, dat die zak veertig weegt.

WIL.

Aardappelen zijn altijd zwaarder dan andere dingen. Twintig pond aardappelen zijn altijd zwaarder dan twintig pond meel.

ATTIE.

Je zeurt, Wil.

WIL.

Het soortelijk gewicht van aardappelen

ATTIE.

heeft niets uit te staan met het soortelijk gewicht

van meel. Ik ben moe.

(Zij loopen voorbij. Tooneel verandert. Wegkromming. In de verte de eerste huizen der stad. De kinderen loopen nog langzamer.)

WALLY.

Attie, Attie, ik heb zoon honger. Zou moeder boos zijn als ik van de korst heb geknabbeld?

WIL.

Huilpoppie! Wat beteekent alléén honger? Ik ben verkleumd èn ik heb honger. Ik zou me het liefst in mijn takken wikkelen en ze aansteken en zoo er mee doorloopen.

Sluiten