Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VILLA MORGENROOD

een man niet in de weg staan. Je bent een verstandig ding. Hij knikte goedkeurend, dan wees hij op het landschap rondom. — Mooi is het hier.... zoo vrij en ruim. Kijk, hebben jullie gelet op die boom, op dat schip? En de lucht is zoo pittig, zoo frisch. Merkten jullie dat al op?

Gerard wees en al sprekend kwam er iets van de stemming van daar even weer over hem. 't Nederige landschap nam grootscher vormen aan voor zijn oogen en daarvan moest hij spreken. Herinneringen doken op aan zijn oud IJselstadje — de rivier, hoe mooi die kon zijn en hoe prachtig de heuvels naar de achtergrond golfden.

Gedrieën, de meisjes ieder aan een zijde, wandelden ze een smal 'binnenweggetje terug.

— O, kijk es, wees Jenny — nog bloempjes. Ze bukte zich en plukte. — Nu nog bloempjes!

— Madeliefjes, zei Gerard. — Net kleine zonnetjes, hé? Gouden hartje.... zilveren stralen.... Dat is nog uit een schoolversje, dat we vroeger leerden.

— Mooi zijn ze, vond Miep en plukte een bosje voor haar ceintuur.

Dat deed Jenny ook en Gerard werd versierd met eenige in het knoopsgat van zijn jas.

— We komen van de bloemenvelden, meende hij.

— Iets heeft het er wel van, lachte Jenny — maar veel bloemen zijn er niet meer.

Langzaampjes naderden ze de stad. Toen kwam er drift in de voetjes van de meisjes, Jenny vooral werd onrustig. Begrijpelijk. Ze letten ook niet op de tijd, hij al evenmin en plotseling wist hij met Stiemer een onderhoud te hebben afgesproken. Daar was 't nu te laat voor geworden. Morgen dan maar.

Bij Sonja vonden ze Henk en Tilly van Tarel.

— Ik kom de meisjes terug brengen, zei Gerard. — Ik vond ze ergens bij Buiksloot of Rozenburg, 't Kan ook Duivendrecht geweest zijn. Precies weet ik het niet. Waar was 't ook weer?

— Wij weten er ook niets van, zei Miep. — Wij waren verdwaald.

Sluiten