Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRONIEK DER LETTEREN

hij de kans kreeg met het geërfde geld zijn zucht naar weelde en genot bot te vieren, hij niet meer in staat was te genieten en het vermogen hem ontbrak zich in de zoo fel begeerde geneugten te storten. Zoodat hij maar weer zijn vorig leventje opnam, het eentonige bestaantje van dorpsschoolmeester. Maar er komt toch eenige beroering in zijn leven. Een oom van hem laat een zoon als wees achter en nu voelt hij zich geroepen, dien jongen bij zich in huis te nemen. Deze vreemde, sloome, futlooze jongen is ook alweer uitmuntend door den schrijver beschreven. Lezen is zijn grootste liefhebberij, boeken van allerlei soort door elkaar, waardoor hij denkt het leven te leeren kennen, maar wat hem in werkelijkheid een geheel verdraaiden kijk op het leven geeft en ouwemanachtig cynisch maakt. Zelf te gemakzuchtig voor daden, slechte of goede, praalt hij wel graag met zijn kennis van het slechte. Door altijd te leven in zijn boekverbeeldingen, leeft hij langs het gewone leven heen. En Meester Lampelaar heeft niet genoeg overwicht op hem, om hem een anderen kant uit te sturen. Op diezelfde slappe, cynische manier neemt deze Pier zich een vrouw, van wie hij voelt, dat ze hem niet al te lastig zal worden en waar hij boven staat, althans wat kennis betreft. Deze ook komt bij Meester Lampelaar inwonen en waar de schrijver de verhouding van deze drie menschen onderling beschrijft, toont hij weer zijn groot talent, zijn kijk op karakters en het uitbeelden daarvan. Met betrekkelijk weinig woorden doet hij ze ons volkomen begrijpen en aanvoelen. Pier's vrouw, Mensje, is een gewoon volksmeisje, eenvoudig, opgewekt, frisch en gezond, die absoluut misplaatst is naast dezen man met zijn ongezonde levensopvattingen. En ook met den oom heeft dit kind uit een gansch andere wereld in het begin niet het minste contact. Maar langzaam aan gaat dit veranderen. Pier gaat in antiek handelen, dit strookt met zijn fantasie en aangeboren smaak en hij krijgt zijn zaak buitenshuis, maar blijft met zijn vrouw bij Oom Lampelaar inwonen. En deze ontdekt, hoe Mensje steeds meer door haar man wordt alleen gelaten en verwaarloosd, hoe ze haar opgewektheid en gezonde frischheid daarbij gaat inboeten; tenslotte begrijpt hij zelfs door toespelingen van beide kanten, dat Pier eigenlijk geen normale vent is, hoe hij eigenlijk geen meisje had moéten en mógen trouwen. En prachtig gevoelig, soms zelfs ontroerend, vertelt de schrijver ons dan, hoe deze beide eenzamen, de schoolmeester en het verwaarloosde Mensje, elkaar nader komen, hij uit medelijden en een soort zelfverwijt, dat hij nooit méér voor haar geweest is, zij uit behoefte aan een mensch en gezelligheid, tot er een band ontstaat, die haar ervan terughoudt van haar man weg te loopen of in de armen van een ander bevrediging te zoeken.

Dit eerste en langste verhaal van de zes, die deze bundel bevat, is wel het belangrijkste.

Sluiten