Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

664

DE EER VAN HET GESLACHT

gemokerd met een ijzeren vuist. Ach, Amalia, het is soms een bittere straf een dichter te moeten zijn!

Amalia: Voor de grooten is eenzaamheid en lijden.

Pieter: Voorzeker. En toch draagt dit lijden het loon in zich. [Neemt de papieren in de hand, zucht en peinst staroogend.) Uit welk een duistere worsteling en welk een verheven vreugde werden deze regelen geboren!

Amalia: Mijn vriend, wil je mij niet voorlezen wat in die uren van heerlijk martelaarschap aan je ziel ontweid is? In eerbied zullen mijn ooren hooren.

Pieter: Ik weet 't. Het is vreugde en rust om voor deze ziele-uitstorting een ontvangenis te weten, [Hij staat op en recht zijn slapheid; strijkt over zijn haar.) Je permitteert? Zittende kan ik mij niet tot mijn publiek wenden. [Hij leest zonder den ouden valsch-rethorischen galm, maar met het even valsche pathos en de ongevoelige klank- en letteraccentueeringen van den moderne, die verzen «zegt»:)

Wie zijn het, die zoo hoog gezeten

op gouden troon, omzwalpt van licht....

Amalia (maakt een onwillekeurige beweging en opent den mond of zij iets wil zeggen).

Pieter [laat papier zakken, ziet haar vragend aan): Wel?....

Amalia [onzeker): Was dat is dat niet van

van Tollens of zoo iemand?

Pieter: Van Tollens? Weineen Amalia, dat is van mij!

Amalia: Natuurlijk, dat begrijp ik Maar er was

zoo'n bekende klank in.

Pieter: Je zult aan Vondel gedacht hebben.

Amalia: Ah juist, Vondel!

Pieter: Het is het statige, verheven rhythme, dat je ook bij Vondel vindt. Ja, dat kan niet anders de elementaire schoonheden vindt je bij alle groote dichters weer. [Schraapt om te herbeginnen; Amalia sluit de oogen.)

Wie zijn het, die zoo hoog gezeten op gouden troon, omzwalpt van licht,

Sluiten