Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VILLA MORGENROOD

737

— Laat me toch! kreet ze. — Wat raakt het jou, wat ik doe?

— Ik Waarschuw je om je bestwil. Je doet je man te kort en je kinderen. Ze hebben rechten op je, jij hebt plichten tegenover hen en die verwaarloos je.

— Ze hebben mij niet noodig.

— Dat meen je maar. Jij stelt je buiten alles, jij laat je niet naderen. Van hun behoeften weet je niks. Daar heb jij je van vervreemd.

— Ik zorg toch voor ze — voor kleeren en eten.

— Jo, d'r is meer, veel meer. Dat weet je wel. Je moet met ze medeleven, deelen in de vreugden die het leven geeft.

— Ach, verzuchtte Jo — die bestaan voor mij niet meer. Voor mij is het leven leeg.

— Dat beeld je je maar in. Als je es probeeren wou.... een klein beetje maar.... Probeer es aan ze te denken en wat minder aan kleine Bep....

— 't Kind!

— Gaat 't je niet aan, wat er van Miep wordt? Moet jij dat meisje niet leiden in haar gevaarlijke jaren? Heeft Henk geen moeder meer noodig? En Gerard geen vrouw, die hem begrijpt en terzijde staat?

Sonja stapelde vraag op vraag om Jo te troeven, om haar tot inzicht te brengen van de dingen, die in 't leven nog als haar plichten waren gebleven. Jo staarde haar bezoekster aan, alsof ze haar niet begreep, dan schudde ze langzaam het hoofd en wendde zich af.

— Jo.... en jij zelf?

— Och ik.... wat vraag ik voor mij ? Waarom ben ik niet gestorven met Bep? Dan was 't kind nu niet zoo alleen — was ik niet zoo alleen. We hooren toch bij mekaar, het kind en ik.

Even trilde 't om haar lippen, scheen er een waas in haar oogen te komen, maar aanstonds was h'r gezicht weer strak, lagen de oogen weer koud en onbewogen, glipte ze terug in haar stugge eenzelvigheid, die even scheen te zullen breken.

vi 7

Sluiten