Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRONIEK VAN HET TOONEEL

door HENRI BOREL

Het Tooneel heeft de laatste week in het teeken van Moïssi gestaan.

Het geval-Moïssi is, voor zoover ik kan nagaan, eenig in de tooneelgeschiedenis. Hij speelt, in tal van rollen, oogenschijnlijk geheel verschillende personages en ten slotte zijn ze allen, door de wijze waaróp hij ze speelt, zóó verwant, dat ze, zoo niet geheel dezelfden, dan toch tweelingbroeders van elkaar lijken. Zijn Fedja in »Het Levende Lijk« van Tolstoï vertoont sprekende psychische verwantschap met Shakespeare's Hamlet, en Jacques uit Lenormand's »Le Lache« (in 't Duitsch meervoud geworden: »Feiglinge«) kon een broeder van Fedja zijn. Er is een prototype waarvan tal van Moïssi's rollen (althans zooals hij ze speelt) variaties zijn met denzelfden grondtoon: de zwakke, zachtmoedige, teedere, die niet tegen de hardheid en slechtheid van de wereld en de menschen op kan en die, de kracht niet hebbend tot energiek verzet, er deernisvol door ondergaat, somtijds in zulk een straling van oneindige goedheid, dat hij bijna een heilige is. In Tolstoï's »Het Levende Lijk«, zijn glansrol, bereikt dit type zijn schoonste volkomenheid. Het grootste wonder ervan — want een wonder is het — is het tafereel in »Het Levende Lijk« als Fedja met een vriend, een verloopen schilder, in een armelijk kroegje zit, bij een poover lampje, dat hun gezichten verlicht, en hij dezen van zijn vroegere leven en van zijn geheim vertelt. Hier zitten twee aan lager wal geraakte schooiers, maatschappelijke wrakken, maar hier zou ook Christus kunen zitten met den apostel Johannes, en het tafereel, in Rembrandtiek licht, doet evenzeer denken aan Rembrandt's Emausgangers.

Moïssi speelt Fedja thans anders, dieper, dan vier en meer

Sluiten