Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

754

KRONIEK VAN HET TOONEEL

haar verdiende loon en stelt zelfs alle pogingen in het werk, om de moordenares van zijn vrouw vrijgesproken te krijgen. Welke zijn de diepere gronden van deze harde, onmenschelijke gevoelshouding? De auteur zegt het niet. Maar wij voelen, dat er hier vooral twee motieven in het spel moeten zijn: ten eerste gekwetst zelfgevoel («dat dit mij moest gebeuren!») en ten tweede een sterke tegentendenz tegen zijn vrouw. Bewust had hij haar lief en deed alles voor haar, waartoe hij «verplicht» was. Maar onbewust bestonden er haat-gevoelens tegen haar, wenschte hij haar wèg. Dat dit zoo geweest moét zijn, blijkt uit het gevoel van bevrijding, dat de dood zijner vrouw bij hem wekt. Maar dan komt het langzame louteringsproces. Berton wordt aangeraakt door het wonderlijke vlindertje Suzette — hoe prachtig werd zij in haar mengeling van speelsche kinderlijkheid èn berekening door Annie Follender getypeerd! — en zij opent hem de oogen voor zichzelf. Het vlindertje fladdert weer de wijde wereld in, zonder geld en bijna zonder koffer, maar Berton blijft achter als een ander mensch. Suzette heeft hem doen begrijpen, dat hijzelf de schuldige is, en nu begint voor hem de eigenlijke hel, de hel der schuld, maar die hij door moet om tot de verlossing te komen.

Een van de grootste momenten was voor mij het oogenblik, dat Suzette Berton verlaat. Ze heeft zielsmedelijden met hem en smeekt hem, haar te vergeven, dat zij van hem weggaat. Maar met nauw hoorbare, door tranen verstikte stem zegt Berton alleen: „Ga weg, ga weg." Dat was Louis de Vries in al zijn grootheid en diepte, sober van stem en gebaar en zoo volkomen natuurlijk. Men dacht een tooneelspeler te vinden, en men vond een mensch, zou men met een variatie op Pascal kunnen zeggen.

En dan de schrijnende tragiek van het slot. De moordenares komt, vrijgesproken, Berton voor zijn bemoeiingen bedanken en tracht hem voor zich te winnen. Berton hoort haar bijna zwijgend aan, maar men voelt de spanning in hem groeien. De hervonden liefde voor Jacqueline doet zijn wraakgevoelens opnieuw opleven, maar thans tegen de moordenares van zijn vrouw. En in een aanval van waanzinnige woede wurgt hij haar voor het portret van Jacqueline. «Denn jede Schuld racht sich auf Erden..«

Mr. H. GILTAY.

Den Haag, 8 Mei 1930.

Sluiten